Zill leerplandoelen tot 12 jaar – Ontwikkeldoelen huisonderwijs

Hieronder de ZILL leerplandoelen tot 12 jaar.
Als je hier beland bent, betekent dit waarschijnlijk dat jullie bijna het einde van jullie basisonderwijs gehaald hebben! Proficiat!
Deze leerplandoelen zullen nog steeds een houvast en leidraad kunnen bieden in het toewerken naar de eindtermen basisonderwijs.
Ik raad je aan om dit schooljaar zowel naar deze leerplandoelen te kijken alsook die eindtermen om ervoor te zorgen dat alle ontwikkeldoelen aangeboden zijn.

Vorige:
Algemene leerplandoelen tot 9 jaar.
Algemene leerplandoelen tot 10 jaar.
Leerplandoelen Godsdienst tweede cyclus (8-10 jaar).

Lees deze blogpost voor alle wetgevingen en regels rond huisonderwijs.
In deze blogpost neem ik je bij de hand en vullen we samen de intentieverklaring in bij inschrijven van jouw kind voor huisonderwijs.
Wat zijn leerplandoelen, ontwikkeldoelen, onderwijsdoelen?
In deze blogpost zet ik het even allemaal op een rijtje voor jou.

Hoe ga je aan de slag met deze leerplandoelen? Op deze pagina geef ik je de handleiding voor deze ultieme gids.

Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

(2,5-12jaar)

TAALONTWIKKELING
Talige grondhouding.

-Plezier beleven aan taal en het spelen met taal
-Openstaan voor talige diversiteit en de gelijkwaardigheid van talen aanvaarden
-De meertalige identiteit van medeleerlingen erkennen en de eigen meertaligheid durven inzetten
-Mondeling en schriftelijk willen en durven communiceren en het nut daarvan inzien
-Bereid zijn om taal correct, verzorgd en gepast te gebruiken

Mondelinge taalvaardigheid Nederlands.
-Via modeling kennismaken met luisterstrategieën:
*voorspellen
*visualiseren
*verbinden met voorkennis over het onderwerp
*nadenken over woordbetekenissen
*terugblikken
*begrip controleren
*het luisterdoel voor ogen houden
-Via modeling kennismaken met spreekstrategieën:
*voorkennis over het onderwerp oproepen
*materiaal verzamelen dat je nodig hebt om de boodschap over te brengen
*de inhoud van de boodschap vooraf bedenken
*de manier waarop je zal spreken vooraf bedenken
*het spreekdoel voor ogen houden

Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.
-Luisteren naar, genieten van, praten over, nadenken over voorgelezen fictie en non-fictie
-Via modeling kennismaken met leesstrategieën:
*voorspellen
*visualiseren
*verbinden met voorkennis over het onderwerp
*nadenken over woordbetekenissen
*terugblikken en herlezen
*begrip controleren
*vragen bedenken bij de boodschap
*het leesdoel voor ogen houden
-Boekenkeuze en leesbeleving bespreken en/of creatief uiten
-Genieten van voorlezen
-Exploreren van een ruime variatie aan tekstmateriaal
-Via modeling kennismaken met schrijfstrategieën:
*voorkennis over het onderwerp oproepen
*materiaal verzamelen dat je nodig hebt om de boodschap over te brengen
*de inhoud van de boodschap vooraf bedenken
*de manier waarop je zal ‘schrijven’ vooraf bedenken
*het schrijfdoel voor ogen houden
-Experimenteren met lay-out en beeldende elementen bij het overbrengen van schriftelijke boodschappen

Taalbeschouwing Nederlands.
-Experimenteren met en onderhandelen over woordbetekenissen in functie van (expressief) overbrengen van boodschappen of om te komen tot een juister woordbegrip
-Nieuwe betekenissen van woorden en woordgroepen waarnemen en er zich over verwonderen
-Zelf bepalen welke woordbetekenissen je wil onderzoeken of inschatten welke woordbetekenissen je nodig hebt in functie van de boodschap
-Experimenteren met klankgroepen, klanken en rijm
-Experimenteren met woorden en onderzoeken van woordsoorten
-Experimenteren met het maken van zinnen en het verplaatsen, vervangen of toevoegen van zinsdelen in een zin
-Experimenteren met talige en niet-talige elementen die structuur in mondelinge en schriftelijke boodschappen aanbrengen
-Talige en niet-talige elementen die structuur in mondelinge en schriftelijke boodschappen aanbrengen, waarnemen en er zich over verwonderen
-Kenmerken die boodschappen van elkaar onderscheiden (zoals fictie en non-fictie) waarnemen en er zich over verwonderen
-Het spellen van frequent gebruikte woorden (van eigen naam tot vreemde woorden) waarnemen en er zich over verwonderen

MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische vaardigheid.

-Plezier beleven aan samen muzisch bezig zijn en muzisch samenspel – zich aanpassen aan de regels van het muzisch samenspel – bereid zijn en geduld oefenen om tot harmonisch samenspel te komen

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Zintuiglijke ontwikkeling.

-Ervaringen opdoen met intens waarnemen met alle zintuigen – waarnemen met een toenemende aandacht voor zowel details als het geheel – een waarnemingsgeheugen ontwikkelen

Grootmotorisch bewegen.
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren stabiel vlak , uitbouwfactoren onstabiel vlak en uitbouwfactoren rijdend en glijdend materiaal
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren bal- en dingvaardigheden
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren hangen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren schommelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren slingeren
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren heffen en dragen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met:
*de uitbouwfactoren kruipen
*de uitbouwfactoren klauteren
*de uitbouwfactoren klimmen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren lopen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren rotaties
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met uitbouwfactoren reactiespel
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met uitbouwfactoren verstopspelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren loop- en tikspelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren vrije sprongen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren steunen

ONTWIKKELING VAN ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de samenleving.

-Ervaren en vaststellen:
*van het samenhorigheidsgevoel binnen kleine en grotere groepen
*van gelijkenissen en verschillen in leefwijzen van groepen en de meerwaarde hiervan
*dat niet alle kinderen in een zelfde samenlevingsvorm leven en daarmee rekening houden
*dat groepen eigen tradities hebben en die belangrijk vinden
-Ervaren en vaststellen hoe divers de afkomst van mensen in de eigen omgeving is – nieuwsgierig zijn naar die diversiteit

Oriëntatie op tijd.
-Ervaren en vaststellen hoe de tijd lijkt te vliegen bij aangename gebeurtenissen en voorbij lijkt te kruipen wanneer men ergens op wacht of wanneer iets moeilijk gaat
-Ervaren, vaststellen en uitdrukken dat tijd een ritmisch karakter heeft
-Belangstelling tonen voor het verleden, heden en de toekomst, hier en elders

Oriëntatie op de ruimte.
-Ervaren en vaststellen hoe iedereen een zekere afstand tegenover anderen wil bewaren – de persoonlijke ruimte van zichzelf bewaken en die van anderen respecteren
-Ervaren, onderzoeken, vaststellen en uitdrukken welke gelijkenissen en verschillen er zijn in het dagelijks leven tussen het eigen leven en het leven in andere (cultuur)gebieden
-De verkeersregels en aanwijzingen van een gezagsdragende figuur begrijpen en correct naleven

Oriëntatie op techniek.
-Eenvoudige technische systemen hanteren, monteren en demonteren – veilig, nauwkeurig, hygiënisch en zorgzaam werken met materialen, producten en gereedschappen
-Actief kennismaken met verschillende toepassingsgebieden van techniek

Oriëntatie op natuur.
-Het waardevolle van de natuur ervaren – zich verwonderen over de natuur en er zich over uitdrukken
-Vaak voorkomende organismen uit de eigen omgeving waarnemen, herkennen en onderzoeken
-Verwondering en bewondering tonen voor elke vorm van nieuw leven en dit beschermen en respecteren
-Ervaren, vaststellen en uitdrukken welke effecten een fysieke activiteit of een specifieke omgeving heeft op het eigen lichaam – het effect ervaren van opwarming vóór en tot rust komen na fysieke activiteiten
-De invloed van weersomstandigheden op de omgeving, op mens en dier, planten … ervaren en illustreren
-Natuurlijke verschijnselen , waaronder weersomstandigheden, die een bepaald seizoen kenmerken waarnemen en illustreren
-Verantwoordelijkheid opnemen voor de verzorging van dieren en planten uit de omgeving
-Afval sorteren aan de hand van eenvoudige criteria: papier, glas, PMD …
-Illustreren welke menselijke activiteiten gericht zijn op de zorg voor en het behoud van de natuur en het milieu
-Een explorerende en experimenterende aanpak tonen om meer te weten te komen over de natuur
-Bewondering en verwondering ervaren en uitdrukken voor het onmetelijke van de kosmos
-Nieuwsgierig zijn naar (de verwezenlijkingen van) de ruimtevaart

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediawijsheid.

-Nieuwsgierig zijn naar media en genieten om ermee bezig te zijn – de wereld van de media met een open houding exploreren
-De mogelijkheden van media op een positieve, verantwoorde en waardevolle manier aanwenden
-Interesse en verwondering tonen voor technologieën en ontwikkelingen binnen de mediawereld – bereid zijn om op een genuanceerde en toekomstgerichte wijze mee te evolueren met de ontwikkelingen van media
-Bereid zijn om eigen mediatalent te tonen en in te zetten bij het eigen leren en spelen en dat van anderen
-Bij zichzelf ervaren wanneer men deugd beleeft aan mediamiddelen, mediatoepassingen en mediacontent
-Beseffen dat gedrag beïnvloed wordt door reclame en media

Mediageletterdheid.
-De mogelijkheden van de mediamiddelen ontdekken en gebruiken om eigen ideeën, gevoelens, gebeurtenissen en informatie vorm te geven en te verwerken
-Voor hen bedoelde mediamiddelen creatief aanwenden
-Mediamiddelen inzetten bij logisch en algoritmisch denken – oefenen en leren met ondersteuning van ICT
-Ervaren welke rol media in de eigen leefwereld en in het dagelijks gebruik spelen

Mediavaardigheid.
-Onder begeleiding experimenteren met de bediening van mediamiddelen uit de eigen omgeving en leefwereld
-Onder begeleiding kennismaken en experimenteren met digitale mediamiddelen om met anderen te communiceren

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Ervaringen opdoen met intens waarnemen met alle zintuigen – waarnemen met een toenemende aandacht voor zowel details als het geheel – een waarnemingsgeheugen ontwikkelen
-Ervaren wanneer en dat men leert – met vertrouwde personen communiceren over wat men heeft geleerd
-Het werkgeheugen en het geheugen ontwikkelen en inzetten bij het leren – relevante informatie memoriseren
-Al doende probleemgevoeligheid ontwikkelen
-Zicht krijgen op een vraag, een opdracht, een uitdaging, een probleem
-Strategieën inzetten om informatie te verkrijgen, te verwerken en te delen
-Waardevolle en effectieve feedback waarderen
-Aanwijzingen en correcties van begeleiders aanvaarden en opvolgen

Onderzoekscompetentie.
-Zich onbevangen en spontaan openstellen voor het nieuwe – zich laten inpalmen door verrassende dingen rondom hen – zich in het verkennen en beoordelen van nieuwe dingen niet laten leiden door clichés en vooroordelen
-De wereld aandachtig en met een gerichte interesse tegemoet treden – zich verwonderen over elke nieuwe ontdekking – op zoek gaan naar vertrouwde herkenningspunten en houvast
-(Aangeboden) kansen om te exploreren en te experimenteren aangrijpen
-Nieuwe ervaringen met anderen delen
-Genieten van exploreren en experimenteren – een onderzoeksgerichte houding aannemen
-De wereld rondom zich speels, fantasierijk en onbevangen exploreren – bereidheid tonen om met het eigen lichaam, materialen, voorwerpen en technieken en technische systemen te experimenteren om er de mogelijkheden van te ontdekken – zich verwonderen over de mogelijkheden die men ontdekt door actief te exploreren en te experimenteren
-Actief exploreren vanuit een innerlijke drang om te weten en te leren – vanuit een intentie experimenteren (om iets te weten te komen)

Ondernemingszin.
-Oog hebben voor wat nieuw, origineel is – originele oplossingen bedenken – durven afstappen van het gewone, van wat anderen denken en doen – gericht zijn op originaliteit
-Mogelijkheden zien – enthousiast zijn om nieuwe taken aan te pakken, samen dingen te doen met leeftijdsgenoten
-Op verschillende manieren in contact komen met noden en uitdagingen en deze als dusdanig ervaren – onder begeleiding op zoek gaan naar innovatieve oplossingen

Gezonde en veilige levensstijl.
-Langdurige periodes van sedentair gedrag beperken – wisselende houdingen aannemen
-Ervaren en inzien hoe momenten van ontspanning doorheen de dag helpen om tot rust te komen – bereid zijn om doorheen de dag voor zichzelf momenten van rust te creëren
-Ervaren en inzien dat voldoende slaap noodzakelijk is voor de ontwikkeling
-De kansen die zich aandienen om in open lucht en in de natuur te vertoeven aangrijpen – op een gepaste wijze en genietend in interactie gaan met de omgeving
-Aandacht hebben voor een goede lichaamshygiëne: handen wassen, neus snuiten en niet elkaars zakdoek gebruiken, verzorging bij toiletbezoek, tanden poetsen, aangepaste kledij en schoeisel …
-Huid, ogen en oren beschermen waar en wanneer nodig
-Bewust kiezen voor evenwichtig eten en drinken – voldoende water drinken – voldoende fruit en groenten eten

Engagement voor duurzaam samenleven.
-De onmiddellijke gevolgen van eigen handelingen op de omgeving en op anderen ervaren
-Gelijkenissen en verschillen aantonen tussen hier en elders, vroeger en nu – ervaren dat onze wereld en ons leven voortdurend verandert
-Nadenken over een samenleving waarin plaats is voor iedereen – vaststellen en uitdrukken hoe men zelf en hoe anderen niet altijd dezelfde kansen krijgen – oog hebben voor de sterktes en kwetsbaarheden van de anderen en daar respectvol mee omgaan
-Op hun niveau opkomen voor gelijke kansen voor zichzelf en voor anderen – zich laten inspireren door anderen die in hun omgeving ijveren voor gelijke kansen – oog en zorg hebben voor de behoeften van anderen en voor mensen die anders zijn
-Alert zijn voor de schoonheid van de schepping – nadenken over een samenleving die in harmonie leeft met de schepping
-Oog hebben voor de waarde en de kwetsbaarheid van de planeet – er zelf en samen met anderen zorgzaam mee omgaan – zich laten inspireren door anderen die respectvol omgaan met de planeet – respect opbrengen voor de natuur en het milieu
-Zorg dragen voor de natuur in de eigen leefomgeving

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Ontdekken dat vertrouwen soms klein is en soms groot – ontdekken dat vertrouwen ook in moeilijke situaties kan blijven bestaan – vertrouwen opbouwen en verder voeden
-Vertrouwen hebben in zichzelf – zichzelf aanvaarden met zijn mogelijkheden en beperkingen – zichzelf durven zijn, alleen en tussen anderen – voor zichzelf opkomen
-Vertrouwen hebben in de andere(n) en de Andere – vertrouwensrelaties met mensen opbouwen – zich geborgen voelen bij vertrouwenspersonen – samenhorigheid ervaren
-Vertrouwen hebben in de hen omringende wereld – ontdekken dat de wereld een plaats kan zijn waar het mooi en goed is om te leven
-Ervaren wie men is, hoe men zich daarbij voelt en hoe men daarmee omgaat – hierover nadenken en er over communiceren – op basis van ervaringen het zelfbeeld bijsturen – de eigen identiteit uitdrukken
-Zich bewust zijn van de eigen lichaamskenmerken, – mogelijkheden en – beperkingen
-Ontdekken en aanvaarden dat het leven mooie kanten én schaduwkanten heeft – ondanks negatieve ervaringen een hoopvolle kijk op het leven handhaven – ervaren hoe men als mens voortdurend evolueert
-Inzien en aanvaarden dat mensen verschillen in hun talenten, hun mogelijkheden en beperkingen – ontdekken hoe mensen op verschillende manieren omgaan met grenzen en beperkingen – de eigen grenzen leren kennen en daar respectvol en mild mee omgaan
-Zich bewust worden van de eigen mogelijkheden en talenten en die verder verkennen en ontwikkelen – genieten van de eigen groei en ontwikkeling – ervaren hoe men door a/Andere(n ) gedragen wordt
-Verbondenheid met anderen ervaren en beleven via hoofd, hart, handen en geest
-Ervaren hoe mensen die hen omringen bezorgd om hen zijn en hoe men zelf bezorgd is om anderen – zich verbonden voelen met de mensen om hen heen – ervaren wat mensen uit de eigen omgeving voor hen betekenen en dit uitdrukken – stapsgewijs het net van relaties uitbreiden

Levensbeschouwelijke grondhouding.
-De eigen openheid voor een diepere dimensie (de Andere) in het dagelijks leven (in de ontmoeting met mensen, in de natuur, in verdriet en pijn …) verder verkennen en voeden – gericht zijn op het zoeken naar en het vinden en ontvangen van betekenis en zin – ontdekken en leren kennen van bronnen van hoop en betekenisverlening
-Spiritualiteit beleven met de totale persoon – met anderen communiceren over het eigen zin zoeken – gevoelig zijn voor en verlangen naar de authenticiteit van mensen in wat ze zeggen en doen
-Existentiële vragen stellen – open filosoferen en theologiseren zonder sluitende antwoorden te verwachten
-Ontdekken hoe mensen dankzij verschillen kunnen groeien en in beweging komen – ontdekken hoe het nieuwe dat anderen binnenbrengen kan bijdragen aan de persoonlijke groei – ‘zich schuren aan elkaar’ ervaren als een verrijking – in ontmoeting willen treden met anderen en daarbij bereid zijn om te geven aan én te ontvangen van anderen
-Zich ervan bewust worden hoe anderen eigen emotionele, persoonlijke, levensbeschouwelijke en religieuze ervaringen en verhalen met zich meedragen
-Ontdekken dat er verschillende zingevingsverhalen, levensbeschouwingen en religies bestaan – er nieuwsgierig naar zijn en ermee in ontmoeting treden – beluisteren hoe mensen in de ontmoeting met anderen de diepere dimensie op het spoor komen – dit mogelijk zelf ook ervaren en beleven en hier uitdrukking aan geven – zich bewust worden van het feit dat men niet mee hoeft te gaan in de geconstrueerde werkelijkheid van anderen

Waardengevoeligheid en normbesef.
-Ontdekken wat je zelf als goed en zinvol beleeft – vanuit die ervaringen ontdekken wat goed en zinvol is om te doen – zich uitgenodigd voelen (door anderen, door de Andere, een diepere dimensie van het leven …) om goede, zinvolle dingen te doen
-Ervaren hoe mensen kunnen bijdragen aan het welzijn van anderen, van een groter geheel – ervaren hoe men zelf een bijdrage kan leveren aan het welzijn van anderen, van een groter geheel
-Ontdekken dat gewetensvol handelen een samenspel is tussen hoofd (nadenken over positieve alternatieven), hart (meevoelen) en handen (concreet handelen) – het goede doen omdat het goed is, omdat het op zich de moeite waard is het goede te doen
-Interesse tonen in de wijze waarop het samenleven thuis, op school, met vrienden … wordt geregeld – gevoelig zijn voor regels en afspraken: bij het spelen, in het verkeer … – kiezen voor waarden als eerlijkheid en fair-play, wederkerigheid (ieder zijn bijdrage), rechtvaardigheid …
-Begrijpen dat afspraken en regels het welzijn van zichzelf, van anderen, van een groter geheel kunnen bevorderen – waarden en normen kunnen hanteren als bijdrage aan het welzijn van zichzelf, van anderen, van een groter geheel
-Ervaren dat het goede doen soms een keuze inhoudt tussen handelen ten voordele van het eigen welzijn, dat van anderen of dat van het grotere geheel – ervaren dat het goede doen niet altijd lukt en hier verantwoordelijkheid over opnemen – ervaren dat men nieuwe kansen kan krijgen, ook wanneer men in de fout ging – zelf nieuwe kansen kunnen geven aan anderen – geweldloze en gewelddadige oplossingen voor conflicten herkennen en onderscheiden
-Met concrete voorbeelden uit de eigen omgeving illustreren hoe mensen die samenleven, zich organiseren via regels en afspraken.
-Kennismaken met eenvoudige afspraken, (spel)regels en omgangsvormen – onder begeleiding tot afspraken en regels komen – zich onder begeleiding aan regels en afspraken houden – nagaan en aangeven in welke mate anderen regels en afspraken nakomen
-Ervaren dat waarden en normen die mensen hanteren kunnen verschillen

Veerkracht.
-Zich bewust worden van de eigen kwetsbaarheid en daarmee kunnen omgaan – ontdekken dat eigenschappen en mogelijkheden niet vastliggen en hoe die ontwikkeld kunnen worden – binnen de beperkingen ook de mogelijkheden zien
-Ervaren hoe mensen elkaar kunnen steunen en motiveren om zich te ontwikkelen – steun en aanmoediging van anderen toelaten – ervaren hoe men zelf steun kan bieden aan anderen en anderen kan motiveren – ontdekken hoe belangrijk het is voor alle mensen om innerlijk vrij te kunnen zijn
-Ervaren hoe mensen in bepaalde bronnen, waaronder christelijke inspiratiebronnen, kracht vinden om in de eigen leer-en ontwikkelkracht te (blijven) geloven
-Op een efficiënte manier informatie en leerervaringen opnemen, verwerken, weergeven(delen) en deze onthouden en inzetten bij nieuwe ervaringen en in complexere situaties
-Situaties waarvan men weet dat ze voor hen moeilijk zijn herkennen en waar aangewezen vermijden – zien hoe anderen met lastige situaties en frustraties omgaan en daar uit leren – aanvaarden dat lastige situaties bestaan en dat ook daarvoor oplossingen bestaan
-Bij lastige en moeilijke situaties de hulp inroepen van anderen om het probleem aan te pakken – steun aanvaarden

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Ervaren hoe vriendschapsrelaties tegemoetkomen aan het verlangen van mensen om zich te verbinden met anderen – ontdekken dat er verschillende vormen van vriendschap zijn – ontdekken en ervaren dat men ook vriendschap kan sluiten met dieren …
-Stilstaan bij wat vrienden voor hen betekenen, dit doorvoelen en daar uitdrukking aan geven – dankbaar zijn voor de vriendschap die men in zijn leven ervaart – in vriendschappen een diepere dimensie van het leven op het spoor komen
-Ten dienste staan van iemand anders – in de mate van het mogelijke tegemoet komen de behoefte van een ander – anderen troosten die pijn of verdriet hebben of bang zijn – zorgzaam omgaan met mens en ding – anderen helpen – bereid zijn om materiaal uit te lenen aan anderen – deelverantwoordelijkheid opnemen voor zorgtaken in de groep
-Niemand uitsluiten
-Signalen geven waaruit anderen kunnen afleiden dat hulp nodig is – hulp van anderen aanvaarden – op een gepaste wijze hulp vragen als iets niet alleen lukt – iemand bedanken als reactie op hulp of nabijheid – veiligheid opzoeken – eigen wensen en verlangens uiten – op een beleefde wijze vragen om iets te mogen gebruiken
-Zich verwonderen over en bewondering tonen voor anderen – oog hebben voor en positieve dingen rondom zichzelf waarderen – oprecht waardering tonen – positief denken over zichzelf en de ander
-Een ander de kans geven om zichzelf te mogen zijn – iemand: onthalen, verwelkomen, uitnodigen, aandacht geven – luisteren naar wat een ander over zichzelf vertelt – sympathie hebben voor een ander – supporteren voor de ander, iemand aanmoedigen
-Kritisch zijn voor zichzelf bij het samen spelen, werken, leven – zijn mening geven aan iemand – niet akkoord durven gaan met de mening van een ander – opbouwende feedback geven aan een ander met oog voor werkpunten en verbeterelementen – een sociaal probleem (h)erkennen, analyseren en benoemen
-Op een adequate manier en in een vertrouwde omgeving opkomen voor zichzelf – signalen geven die voor anderen begrijpelijk en aanvaardbaar zijn
(Uit een keuzeaanbod) eigen keuzes kunnen maken – kunnen beslissen
-‘Ja’ en ‘neen’ durven zeggen – een eigen mening geven – waar nodig weerstand kunnen bieden
-Zich bewust op afstand houden – zich terugtrekken – rekening houden met de wensen van anderen (een ander zijn zin geven) – het (groeps)gebeuren waarnemen van op een afstand
-De eigen wijzen van omgaan met anderen leren kennen – bewust worden van de invloed die men heeft op anderen en die men van anderen ondergaat – omgaan met kritiek op eigen gedrag en prestaties
-Kennismaken met verschillende omgangswijzen – zich herkennen in verschillende omgangswijzen
-Bereid zijn tot oefenen in omgangsvormen met anderen waarin men minder sterk is
-Aandacht hebben voor de onuitgesproken regels die de interacties binnen een groep typeren en bereid zijn er rekening mee te houden
-Via ervaringen en belevingen inzien dat gedragingen als mekaar pijn doen, beschuldigen, veroordelen, vechten, iets stuk doen van een ander, pesten … niet aangenaam zijn voor degene die dit ondergaat en niet bijdragen tot een fijne sfeer in de groep
-Gevoelens van boosheid (h)erkennen en aanvaarden bij zichzelf en anderen – verschillende manieren ontdekken en toepassen om bij boosheid en agressie tot rust te komen – bij boosheid vertellen wat er gebeurd is, zonder de ander te beschuldigen of te verwijten – luisteren naar het verhaal van de andere en aanvaarden dat dit verhaal anders kan klinken dan het eigen verhaal – eventuele misvattingen en verkeerd begrepen situaties bijsturen
-Beroep doen op een derde wanneer een conflict uit de hand loopt of escaleert tot een pestsituatie – met behulp van een volwassene de reden van eigen boosheid ontdekken en verwoorden wat men nodig heeft om weer tot rust te komen -luisteren naar wat de andere nodig heeft – met behulp van een volwassene verschillende strategieën (mogelijkheden) ontdekken om tegemoet te komen aan eigen behoeften en deze van de andere
-In staat zijn een conflictsituatie op te lossen zonder de aanwezigheid van een volwassene – kiezen voor geweldloze oplossingen voor conflicten

Omgaan met gevoelens en behoeften.
-De basisemoties ontdekken in de eigen lichaamsexpressie en lichaamshouding en deze op een eenvoudige wijze uitdrukken – lichaamstaal die emoties uitdrukt herkennen bij zichzelf en de ander – taal geven aan (de gradatie) van deze emoties
-De basisgevoelens: blij, bang, boos en verdrietig beleven, bij zichzelf en anderen (h)erkennen en benoemen – aanvoelen hoe gevoelens elkaar kunnen opvolgen onder invloed van veranderende omstandigheden – ervaren hoe eenzelfde situatie verschillende gevoelens kan oproepen – de behoeften achter emoties en gevoelens herkennen en benoemen
-In dialoog met een vertrouwde volwassene, in een eenvoudige taal beschrijven hoe men bepaalde situaties beleeft en hoe men zich daarbij voelt
-De eigen fysieke, emotionele, sociale en spirituele basisbehoeften ontdekken
-Verschillende manieren ontdekken om op een respectvolle wijze om te gaan met eigen gevoelens en behoeften
-Behoeften en gevoelens bij zichzelf bewust ervaren – bij eigen belevingen of verhalen uitdrukken waarom iemand zich blij, bang, boos of verdrietig voelde – vaststellen hoe gevoelens een impact hebben op het lichaam en daar op een zorgzame manier mee omgaan
-Gepaste regulatie van gedrag
-Opkomen voor eigen behoeften – afwegen in welke mate de eigen behoeften die van anderen respecteren of geweld aan doen – in respect voor zichzelf en anderen handelen
-Meerdere oplossingen bedenken om in een bepaalde situatie aan eigen behoeften en die van anderen tegemoet te komen
-Wensen op een concrete wijze uiten – verzoeken en eisen van elkaar onderscheiden – ‘neen’ van anderen kunnen aanvaarden en daar gepast mee omgaan

Inlevingsvermogen.
-Zich inleven in anderen in situaties die dicht bij de eigen belevingswereld liggen – ervaren hoe men eenzelfde situatie op dezelfde wijze of anders kan beleven en er verschillend op kan reageren
-Onbevangen en respectvol omgaan met elkaar – wanneer iemand zijn grenzen aangeeft, deze respecteren

Seksueel bewustzijn.
-Genieten van een aanraking of fysieke nabijheid aanvaarden – beseffen dat mensen kussen, strelen, elkaar aanraken … omdat ze van iemand houden – gaandeweg leren wat waar en wanneer kan met betrekking tot de eigen interesse voor naakte mensen en het tonen van de eigen geslachtsdelen – schaamtegevoel bij zichzelf en anderen aanvaarden en respecteren – beleven van eerste gevoelens van verliefdheid
-Eigen grenzen met betrekking tot de persoonlijke ruimte en aanrakingen kunnen aangeven – ongewenste handelingen van anderen signaleren bij vertrouwenspersonen
-Ervaren en weten dat er verschillende gewoonten en opvattingen bestaan over ‘bloot’ – gevoelens van verliefdheid en verlangen naar fysiek contact aanvaarden en er zonder gêne en met een gepaste taal over communiceren

ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST
Levensbeschouwelijk, religieus en/of godsdienstig groeien.

-De zintuigen en geest oefenen om aandachtig aanwezig te zijn in de werkelijkheid.
-De eigen verwonderingskracht open houden en verder voeden
-Leren ‘stilstaan’ om goed te kunnen zien wat er gebeurt
-Nieuwsgierig de wereld en het leven van mensen breder en dieper leren kennen zodat de eigen kijk op het leven rijker wordt
-Ervaren dat mensen soms méér zien en aanvoelen dan wat direct kan worden benoemd of verbeeld, ruimte in de levens van mensen zien voor geloof
-Oog krijgen voor wat zich in het leven als betekenisvol aandient, voor zichzelf en voor anderen
-Inzien hoe mensen in het leven ‘zin’ en betekenis ontdekken en dit mogelijk ook zelf ervaren
-Ontdekken dat mensen soms een diepere (spirituele en/of geloofs-) ervaring gewaarworden in hun dagelijkse leven en dit ook zelf ervaren
-Ontdekken hoe mensen zoeken naar ’taal’ en beelden om een diepere (spirituele en/of geloofs-) ervaring tot uitdrukking te brengen
-Bij zichzelf en bij anderen ontdekken dat een diepere laag in de werkelijkheid kan worden ervaren via lichamelijke ervaringen, stiltemomenten, de omgang met sensorisch-tactiel materiaal, het gebruik van de zintuigen, verwondering, het spelen, het ervaren van geborgenheid en verbondenheid, vanuit verontwaardiging, …
-Stilstaan bij hoe men zelf naar het leven kijkt, hierover reflecteren en communiceren
-Stilstaan bij wat ‘levensbeschouwing’ is en hoe een levensbeschouwing werkzaam is in het leven van mensen, ook in het eigen leven
-Zich bewust worden van de eigen levensbeschouwelijke identiteit en hoe die groeit en hierover communiceren
-Inzien dat de levensbeschouwelijke identiteit nooit ‘af’ is, maar zich steeds verder blijft ontwikkelen
-Inzien hoe mensen vanuit hun levensbeschouwelijke identiteit gemeenschap stichten, stilstaan bij de dynamiek en innerlijke beleving die aan de basis hiervan ligt, ontdekken hoe men zichzelf daartoe verhoudt of wil verhouden
-Verkennen en aanknopingspunten zoeken in de eigen leef- en belevingswereld: contact maken met, stilstaan bij, voelen, ruiken, horen, aanvoelen, meevoelen, zien, luisteren, lezen, in zich opnemen, herkennen, bewust worden, bespreken met elkaar
-Verdiepen: ontdekken, zich inleven in, gevoelig worden voor, kennis maken, aandacht opbrengen, het nieuwe laten doordringen, in gesprek gaan, confronteren, zich laten interpelleren, begrijpen, vergelijken, verschillen zien, zich een beeld vormen, voorbeelden geven, taal vinden om zich uit te drukken, zich een basistaal eigen maken, lichamelijk ervaren van diepere betekenissen, gevoelig zijn voor symbolen
-Verwerken: participeren, zich identificeren met, waarderen, bevragen, betekenis verlenen aan, erkennen, inzien, beseffen, kunnen hanteren, toepassen op het eigen leven
-Verankeren: verwoorden, verbeelden, zin ontdekken en geven, gevoelig zijn voor symbolen, symbolen duiden en beleven, tot expressie brengen: visueel/ auditief/ dramatisch/ muzisch en/of liturgisch
-Lager: Integreren in groep: van meedoen, meebeleven in verbondenheid met zichzelf en anderen groeien naar integratie: samen bezinnen, bidden, vieren
-Lager: individueel oriënteren: van meebeleven naar bewuster kiezen en levensbeschouwelijk, religieus en/of gelovig groeien, reflecteren op eigen beelden en voorstellingen, zich bezinnen, oriëntatie vinden
-Verkennen:
*Geprikkeld en nieuwsgierig worden om de verhalen en rituelen te leren kennen
*Contact maken met een verhaal, beeld of ritueel via basale stimulatie, voorwerpen, kijktafels, prenten, kunst …
*Jezusbeeld opbouwen via eenvoudige prenten, verhalen, handelingen, dramatisch spel
*Eigen associaties maken bij een Bijbelverhaal, figuur of beeld
*Vertrouwd worden met beelden in de Bijbel
*Via verschillende ervaringskansen het verhaal met zijn personages ontdekken
*Bijbelverhalen beluisteren, lezen, in zijn context plaatsen
*De eigen taal en het woordgebruik van de tekst begrijpen door mondelinge toelichting en/of opzoekwerk
*Levensbeschouwelijke elementen uit de actualiteit, eigen leven of omgeving herkennen in de Bijbel
*Kennis maken met wat mensen gelovig beleven in een Bijbelverhaal of ritueel
-Verdiepen:
*Zich inleven in de figuren van een Bijbel- of geloofsverhaal
*Gevoelens en behoeften associëren bij de figuren van een Bijbel- of geloofsverhaal
*Ontdekken waarom figuren in een geloofsverhaal zo handelen
*Jezelf confronteren met wat figuren uit verhalen denken, voelen en beleven en stilstaan bij de eigen beleving
*In beelden en woorden in de tekst ontdekken wie God wil zijn voor mensen
*Filosoferen en theologiseren rond de betekenis van een verhaal, beeld of ritueel
*Op zoek gaan naar de symbolische betekenis van een verhaal, ritueel of beeld en jezelf daarmee confronteren
*Ontdekken dat een geloofsverhaal, -beeld of ritueel meerdere lagen heeft
*Stilstaan bij het mens- en Godsbeeld zoals die door verhalen en rituelen worden uitgedrukt
*De tekst begrijpen in het licht van de bewogenheid van christenen van vroeger en nu die er inspiratie in vinden
*Figuren situeren op een Bijbelse tijdsband
-Verwerken:
*Nadenken over wat het verhaal, ritueel of geloofsbeeld met het eigen leven te maken heeft
*Zichzelf verbinden met aspecten van een Bijbelverhaal
*Zich identificeren met figuren uit geloofsverhalen
*Muzisch uitdrukken en verbeelden wat een verhaal, beeld of ritueel met je doet en wat je treft
*Groeien naar een persoonlijk Gods-en Jezusbeeld
*In rituelen uitdrukken wat een verhaal met je doet
*Verschillen ontdekken in de betekenis die je kan geven aan Bijbelverhalen
*Groeien naar een levensbeschouwelijke keuze vanuit Bijbelverhalen.
*Kansen krijgen zich de tekst eigen te maken door gebed of meditatie, lied, viering.
*Hedendaags concreet engagement zien waartoe het Bijbelverhaal oproept en de link zien met eigen concrete belevingen en situaties.
*Geloofsverhalen actualiseren.
-De sfeer aanvoelen van een christelijk gebruik of ritueel
-In concrete situaties beleven hoe voorwerpen en handelingen (bijvoorbeeld een kaars) een diepere, symbolische betekenis kunnen krijgen
-Het eigen religieus aanvoelen kunnen uitdrukken met eenvoudige symbolische handelingen en voorwerp
-Het rustige, trage en/of repetitieve van een ritueel positief beleven
-Een afgebakende ruimte (gebouw, klaslokaal, klashoek …) waarderen waarin mensen kunnen stilvallen, aanvoelen dat er daar een andere sfeer hangt dan in de rest van de ruimte
-Ontdekken en zelf ervaren dat er een ruime verscheidenheid bestaat aan stiltemomenten, gebeds- en bezinningsvormen: met en zonder woorden, met bewegingen, door te tekenen, meditatie, via een mantra, een stiltespel, met behulp van sensorisch-tactiel materiaal …
-Ontdekken en zelf ervaren dat er een ruime verscheidenheid bestaat aan mogelijkheden om tot vieren te komen
-Inzien en mogelijk zelf ervaren hoe mensen samenkomen om samen te vieren, de stilte te beleven, zich te bezinnen, te bidden …


(4-12jaar)

TAALONTWIKKELING
Taalbeschouwing Nederlands.

-Klanken waarnemen en zich er over verwonderen:
*de uitspraak van klanken
*de plaats van klanken in woorden
klanken in verschillende talen, in standaardtaal en in dialecten -Mededelende, vragende, uitroepende en bevelende zinnen waarnemen en er zich over verwonderen -Experimenteren met en plezier beleven aan: spelling van nonsenswoorden, invented spelling, spelen met lettervormen en lettertypes, alfabetische ordening of weergave, spelen met leestekens en lay-out…
-Onderzoeken van de relatie tussen klanken en letters
-Onderzoeken op welke manier hulpmiddelen voor spelling (zoals woordkaarten, schema’s, algoritmes, spellingcorrector …) nuttig kunnen zijn bij correct schrijven – hulpmiddelen voor spelling gebruiken

ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
logisch en wiskundig denken.

-Concreet materiaal ordenen en schematiseren om overzicht te krijgen
-Gegevens kritisch lezen en interpreteren uit tabellen, diagrammen en grafieken
-Eenvoudige grafische voorstellingen zoals een tabel of diagram opstellen

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Grootmotorisch bewegen.

-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren steunsprongen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren hoog- en verspringen

ONTWIKKELING VAN ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op tijd.

-Nieuwsgierig zijn naar archeologie
-Onderzoeken en illustreren hoeveel dingen, fenomenen en gebeurtenissen van nu gelijkenissen en verschillen vertonen met vroeger
-Erfgoed in de omgeving opsporen en onderzoeken
-Verwondering en waardering tonen voor erfgoed – voorzichtig en respectvol omgaan met erfgoed

Oriëntatie op de ruimte.
-Een ruimte inrichten zodat deze veiligheid en geborgenheid biedt, men er zich goed kan voelen en aangepast is aan de (spel)activiteit die men wil uitvoeren – mits aanwijzingen orde brengen in een afgebakende ruimte
-Een zelf geëxploreerde ruimte of een beschrijving van een ruimte verbeelden door ze uit te beelden, te beschrijven, te tekenen of driedimensionaal af te beelden
-Zelf een legende aanleggen door gebruik te maken van symbolen
-Aan de hand van afdrukken en sporen een route herkennen
-Zich ervan bewust worden dat het verkeer risico’s inhoudt en daarom als weggebruiker preventief kiezen voor een veilige uitrusting en veilig gedrag in het verkeer
-In de eigen omgeving plaatsen herkennen waar men veilig kan spelen en waar niet – zich er (onder begeleiding) veilig gedragen
-Een door anderen beschreven, eenvoudige reisweg volgen – zelf een vertrouwde reisweg in de omgeving begrijpelijk verwoorden zodat anderen die kunnen volgen
-Vaststellen en uitdrukken:
*welke de voor- en nadelen zijn van verschillende vervoermiddelen voor mensen, dieren en goederen
*welke vervoermiddelen het meest geschikt zijn voor een bepaalde verplaatsing

Oriëntatie op techniek.
-Zelf een eenvoudige werktekening maken
-Nagaan in welke mate een zelfgemaakt technisch systeem voldoet
-Ervaren wanneer technische systemen helpen of niet helpen – in interactie gaan over het feit dat men zelf kan kiezen om bepaalde technische systemen al dan niet te gebruiken – kritisch nadenken over het eigen en andermans gebruik van technische systemen
-Aan de hand van voorbeelden uit verschillende toepassingsgebieden van techniek illustreren dat technische systemen nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kunnen zijn voor zichzelf, voor anderen of voor natuur en milieu

Oriëntatie op natuur.
-Via exploreren meer te weten te komen over de natuur en het milieu
-Waardering tonen voor de aanwezigheid van organismen in de omgeving – afkeuring tonen ten aanzien van negatief gedrag tegenover de natuur
-Ervaren, vaststellen en uitdrukken waarin jongens en meisjes van elkaar verschillen en waarin ze op elkaar lijken – lichamelijke veranderingen bij zichzelf en leeftijdsgenoten (h)erkennen – ervaren hoe verscheiden die ontwikkeling kan verlopen en dat respecteren
-De uitwendige bouw van een dier onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals kop, buik, staart, veren, klauw, bek, nek, vin, kieuw, schub, schelp …
-De uitwendige bouw van een plant onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals wortel, stengel, steel, knop, bloem, vrucht, stam, kruin …
-Illustreren hoe bepaalde houdingen of handelingen van organismen wijzen op en aanpassing aan hun omgeving
-Natuurlijke verschijnselen zoals het vallen van de bladeren, ijsvorming, verdampen … onder begeleiding onderzoeken
-Gangbare materialen ordenen aan de hand van eenvoudige, zelf gekozen criteria

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediavaardigheid.

-Experimenteren met audiovisuele mediamiddelen en hun mogelijkheden bij het afspelen en opnemen van mediacontent – eenvoudige audiovisuele mediamiddelen hanteren om op te nemen, te bewerken, te monteren en af te spelen.
-Navigeren en zoeken binnen een digitale toepassing waaronder voor leerlingen bestemde webpagina’s, educatieve software …

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Een opgelegde opdracht geconcentreerd en met volgehouden aandacht afwerken
-Nauwkeurig werken
-De tijd die men nodig heeft voor een bekende bezigheid realistisch inschatten
-Een activiteit, taak, opdracht individueel of in kleine groep plannen en organiseren in functie van een vooropgesteld doel – het nodige materiaal kiezen, bij de hand halen en op een geëigende wijze hanteren – na gebruik materiaal zorgzaam opbergen – hun werkhouding afstemmen op een vooropgesteld doel
-Erop gericht zijn het zelfsturend functioneren te verhogen – zelfstandig kunnen functioneren
-Een vraag, een opdracht, een uitdaging, een probleem uitklaren en helder voorstellen – onder begeleiding de mogelijkheden onderzoeken om dit aan te pakken – uit een aanbod van mogelijkheden een strategie selecteren die past om tot een oplossing of een resultaat te komen
-Op basis van waardevolle feedback van anderen het eigen handelen bijsturen – gepast reageren op aanwijzingen, correcties en kritiek

Ondernemingszin.
-De vindingrijkheid van anderen ervaren – meegaan in de creativiteit van anderen – observeren hoe anderen creatief te werk gaan – eigen creatieve oplossingen bedenken voor kleine problemen
-Vertrouwde oplossingswijzen gebruiken als opstap naar nieuwe mogelijkheden – onder begeleiding nieuwe paden bewandelen – na uitnodiging daartoe of spontaan iets creatiefs toevoegen aan wat gewoon is

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Bewust leven vanuit wie men is en waar men voor kiest
-Ten aanzien van de ander een positieve, liefdevolle en open grondhouding aannemen, zonder oordeel – samen met de anderen ontdekken wie en wat hen omringt en wie men wil worden – elkaar voldoende ruimte geven om te zijn wie men is – trouw blijven aan zichzelf
-Zich een deel voelen van de groep(en) waartoe men behoort – ervaren hoe men samen gemeenschap vormt

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-De behoefte ervaren om gezien en geaccepteerd te worden door anderen – gebruik maken van luistervaardigheden om de gevoelens en het perspectief van anderen te kunnen bepalen – ervaren hoe belangrijk vrienden en vriendschap zijn voor zichzelf en voor anderen – een sterke sociale interactie met vrienden ontwikkelen
-In het contact met mensen met een beperking of handicap aandacht hebben voor hun specifieke noden en verwachtingen
-Ervaren dat men enkel ‘samen’ tot vriendschap kan komen – ervaren hoe men vriendschap kan voeden en stimuleren – ontdekken en aanvaarden dat vriendschappen evolueren – erkennen dat relaties verscheiden zijn
-Manieren vinden om plezierig samen te spelen en te werken met anderen: sociaal aanvaard voorleefgedrag naleven, de ander complimenten geven, op zijn beurt wachten tijdens samenspel, de persoonlijke ruimte van anderen respecteren
-De uniciteit van individuen ervaren en aanvaarden – de eigenheid van mensen respecteren, ook bij conflictsituaties of bij verschil van mening – bereidheid tonen om de andere(n) met de hele persoon (hoofd-hart-handen-geest) te ontmoeten
-Het mooie en waardevolle van diversiteit ontdekken en beleven – diversiteit erkennen en respecteren als een normaal gegeven – in het dagelijkse leven positief omgaan met diversiteit – ontdekken op welke wijze diversiteit een verrijking kan zijn
-Ontdekken dat het verschil ertoe doet – ontdekken hoe verscheidenheid en in het bijzonder ‘het verschil’ iets nieuws in beweging kan zetten – ontdekken, ervaren en beleven hoe men met respect voor de verscheidenheid ook trouw kan blijven aan zichzelf
-Meedoen met wat de leraar vraagt – een opgelegde taak uitvoeren – gehoorzamen aan opgelegde regels en afspraken binnen een bepaalde tijd en ruimte – begrijpen dat samenwerken en – leven vraagt om regels en afspraken die nageleefd moeten worden
-Structuur ervaren als een houvast en als duidelijkheid om in een bepaalde context en bij een groep mensen te functioneren
-In verschillende situaties op een adequate manier
*de aandacht vragen – eigen kunnen, kennen en zijn exploreren – zich voorstellen in een groep – spreken met durf en expressie
*uitdrukken wat men leuk vindt van zichzelf – zich trots voelen en dat tonen – fier zijn op zichzelf (uiterlijk, innerlijk) – zich laten kennen -zich goed in zijn vel voelen (welbevinden) zelfvertrouwen opbouwen

Omgaan met gevoelens en behoeften.
-Zich bewust worden van de eigen kwetsbaarheid en die van de ander – begrijpen dat al dan niet voldane behoeften aan de basis liggen van gevoelens
-Ervaren hoe eenzelfde situatie verschillende gevoelens en reacties kan uitlokken – met die verscheidenheid respectvol omgaan
-Een onderscheid kunnen maken tussen wat men waarneemt (wat men objectief ziet, hoort, voelt, ruikt …) en wat men er van vindt (oordeel)
-Kunnen wachten, een activiteit opschorten, bevrediging uitstellen – verleidelijk, maar verboden of ongepast gedrag onderdrukken – emoties en gedragingen onder controle kunnen houden

Inlevingsvermogen.
-Ervaren hoe eenzelfde situatie verschillende gevoelens en gedachten kan oproepen – zich verplaatsen in het standpunt van een ander – meeleven met een ander – zich inleven in de ander
-Ervaren en benoemen hoe eigen handelen gevolgen kan hebben voor anderen
-Zich voorstellen wat de ander ziet, hoort, (aan)voelt , ruikt, proeft


(5-12jaar)

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Lichaams- en bewegingsperceptie.

-Aanwijzen en benoemen van alle delen van het lichaam
-Beseffen hoe het eigen lichaam in elkaar zit en functioneert – een correct lichaamsbeeld en lichaamsbesef ontwikkelen
-Grote lichaamsdelen afzonderlijk opspannen en ontspannen
-Rustig en vloeiend bewegen
-Stil liggen en contact van anderen toelaten
-In rust de eigen ademhaling bewust beleven en er controle over houden
-Van lengterol, naar rollen gaan rond breedte-as of diepte- as (wenden) in steeds meer gevarieerde vormen.
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren rotaties

Grootmotorisch bewegen.
-Ongeremd en spelend bewegen in het water
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren coöperatieve spelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren stoeispelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren pas- en afgooispelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren doelspelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren terugslagspelen
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren veld- en slagbalspelen

ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op bewegingscultuur.

-De verworven motorische basisbewegingen toepassen binnen de diverse bewegingsdomeinen
-De mogelijkheden kennen om ook buiten de school te participeren aan bewegingsactiviteiten of een voorkeurssport te beoefenen

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediawijsheid.

-Opvallend goed en minder goed mediagebruik onderscheiden – zich erover uitdrukken
-Zich respectvol uitdrukken bij de beoordeling van mediagebruik en van mediacontent

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Zich met hulp bewust worden van wat men nodig heeft om te leren – inzicht hebben in de eigen leerprocessen
-Gekende oefen – en spelvormen zelfstandig opstarten en gaande houden
-Zich met hulp bewust worden van de kennis, vaardigheden, inzichten en attitudes die men gaandeweg verwerft – verworven en nieuwe leerinhouden met elkaar verbinden – hierover met anderen communiceren
-Wat men in een bepaalde situatie heeft geleerd, op een voldoende flexibele wijze aanwenden in gevarieerde situaties opnieuw toepassen (transfer leggen) – eigen grenzen verleggen

Onderzoekscompetentie.
-Relevante bronnen selecteren – op hun niveau verschillende informatiebronnen zelfstandig gebruiken

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Zich afhankelijk of onafhankelijk van anderen kunnen opstellen – een eigen mening uitdrukken
-Initiatief nemen om anderen te leren kennen
-Ervaren hoe anderen hen helpen om met moeilijke momenten om te gaan – ervaren hoe anderen hen vertrouwen/op hen betrouwen
-In vertrouwen nieuwe situaties tegemoet treden
-Zich een genuanceerd beeld vormen van de eigen persoonlijke sterkte, mogelijkheden en kenmerken
-Beseffen hoe mensen verschillen in hun talenten, hun mogelijkheden en beperkingen – beseffen waarin men verschilt van en gelijkt op anderen
-Ervaren welke factoren een invloed hebben op het zelfbeeld – ontdekken dat zelfwaardegevoel niet afhankelijk hoeft te zijn van de waardering van anderen

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Gericht samenwerken in duo of kleine groep – iets aan elkaar kunnen uitleggen – voorstellen formuleren om tot een gezamenlijk antwoord te komen bij vragen
-Meewerken aan een grotere groepsopdracht – kunnen samenwerken met anderen rond een gemeenschappelijk idee of doel – samenwerken met anderen ondanks verschillen
-Op een gezonde manier omgaan met competitie – elkaar aanmoedigen


(6-12jaar)

TAALONTWIKKELING
Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.

-Genietend lezen
-Begrijpen wat je leest
-Gebruik maken van de betekenis van een woord of van de context van een woord om een woord te ontsleutelen

ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Logisch en wiskundig denken.

-Symbolen zoals < > + – x : / = ≠ ÷ ( ) %) correct noteren en gebruiken
-Wiskundetaal gebruiken – wiskundige redeneringen weergeven in verschillende vertalingen zoals dramatiseren, vertellen, tekenen, met materiaal voorstellen, schematiseren, in een formule voorstellen en deze met elkaar vergelijken
-Wiskundige beschrijvingen zoals cijfermateriaal, hoeveelheidsaanduidingen, bewerkingen en formules kritisch lezen en interpreteren
-Met gelijkheden handelend ervaringen opdoen – hoeveelheden en grootheden gelijk maken en daarbij de term gelijk aan kennen en gebruiken
-Het gelijkheidsteken (=) correct gebruiken bij het noteren van een bewerking
-Met gelijkheden redeneren door handelend ervaringen op te doen
-Eenvoudige situaties (met natuurlijke getallen) binnen het gekende getalbereik omzetten in bewerkingen en daarbij de termen optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, kennen en gebruiken – de symbolen +, -, x, : en = kennen en gebruiken
-De volgende termen kennen en gebruiken:
*bewerking
*formule
*optelling, plus(teken), som
*aftrekking, min(teken), verschil
*term(en), aftrektal, aftrekker
*vermenigvuldiging, maal-of vermenigvuldigingsteken, product
*deling, deelteken, quotiënt, rest
*factor(en), vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal, deeltal, deler

Getallenkennis.
-Tellen, terugtellen en doortellen met onder meer sprongen van één, van twee, van vijf, van machten van 10
-Hoeveelheden handig tellen door structuur aan te brengen
-Natuurlijke getallen (her)structureren om vlot bewerkingen uit te voeren en de splitsingen en andere herstructureringen paraat kennen van
*Getallen ≤ 10
*Getallen > 10 bij veel voorkomende getallen
-Hoeveelheden schatten binnen het gekende getalbereik

Rekenvaardigheid.
-Parate kennis onderhouden
-Eenvoudige optellingen uitvoeren door flexibel een functionele oplossingsweg te kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige aftrekkingen uitvoeren door flexibel een functionele oplossingsweg te kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen – de oplossing wiskundig correct noteren

Meten en metend rekenen.
-De belangrijkste grootheden en maateenheden met betrekking tot lengte, oppervlakte, inhoud, volume, gewicht, tijdsduur en hoekgrootte kennen en gebruiken – ervaren, inzien en illustreren dat bij een meting nagegaan wordt hoeveel keer de maateenheid in de te meten grootheid gaat – de maateenheden en hun symbolen kennen, lezen en gebruiken – de onderlinge verhouding kennen – meetresultaten op verschillende manieren noteren
-De termen maat, maatgetal, maateenheid kennen en gebruiken
-De nood aan standaardmaateenheden ervaren, inzien en illustreren
-Ervaren, inzien en illustreren dat voor een nauwkeurige meting kleinere maateenheden nodig zijn – ervaren, inzien en illustreren dat hoe groter de maateenheid is, hoe kleiner het maatgetal is en omgekeerd
-In de context het passend meetinstrument, de passende standaardmaat en de passende nauwkeurigheid bepalen – meten met zelfgemaakte, geijkte meetinstrumenten
-Referentiematen kennen en gebruiken in betekenisvolle situaties
-Het verschil ervaren en illustreren tussen een subjectieve ervaring en een objectieve meting van een grootheid
-Inzien en illustreren dat er bij een meting meetfouten kunnen zijn

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Zintuiglijke ontwikkeling.

-Geconcentreerd kijken, luisteren, voelen, ruiken, proeven en beleven – de waarneming ondersteunen door in zijn verbeelding voorkennis op te halen – hulpmiddelen gebruiken om beter waar te nemen – condities creëren die helpen om beter waar te nemen – oog hebben voor details en nuances
-Ervaren hoe de zintuigen soms misleid worden
-Verslag uitbrengen van wat men heeft waargenomen en deze waarneming met elkaar vergelijken
-Uit een veelheid van prikkels die prikkels selecteren die er op dat moment toe doen – gericht aandacht geven aan die prikkels en er al dan niet op reageren

Lichaams- en bewegingsperceptie.
-Armen en benen ondersteunend (gekruiste coördinatie) samen bewegen
-Wisselen tussen lichaamsdelen zoals tikken met de ene hand en dan met de andere hand, springen op een been en daarna op het andere been
-Aaneenschakelen en combineren van steeds complexere bewegingsgehelen zowel groot- als klein-motorisch

Grootmotorisch bewegen.
-Gaandeweg kunnen omgaan met steeds complexere bewegingsproblemen en/of samenwerkingscontexten door te spelen met de uitbouwfactoren touwtje springen

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediawijsheid.

-Interesse tonen voor (nieuwe) media en hun mogelijkheden en deze mogelijkheden gebruiken – interesse tonen voor het mediagebruik van anderen – op zoek gaan naar nieuwe media-ervaringen.

Mediageletterdheid.
-Verschillende mediamiddelen en hun mogelijkheden kennen – in functie van een vooropgesteld doel op zoek gaan naar de gepaste media – ervaren hoe een mediamiddel verschillende toepassingen kan hebben

Mediavaardigheid.
-Het toetsenbord exploreren
-Zich aan- en afmelden
-Navigeren en zoeken binnen een website
-Geschikte mediamiddelen selecteren en gebruiken om met anderen te communiceren – daarbij selecteren uit voor hen bestemde en beschikbare mediamiddelen
-Digitale contactgegevens beheren door toevoegen, aanpassen, bewaren en verwijderen

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Geconcentreerd kijken, luisteren, voelen, ruiken, proeven en beleven – de waarneming ondersteunen door in zijn verbeelding voorkennis op te halen – hulpmiddelen gebruiken om beter waar te nemen – condities creëren die helpen om beter waar te nemen – oog hebben voor details en nuances
-Ervaren hoe de zintuigen soms misleid worden
-Verslag uitbrengen van wat men heeft waargenomen en deze waarneming met elkaar vergelijken
-Uit een veelheid van prikkels die prikkels selecteren die er op dat moment toe doen – gericht aandacht geven aan die prikkels en er al dan niet op reageren

Ondernemingszin.
-Interesse tonen voor het creatief denken en handelen van anderen – zich laten inspireren door de vindingrijkheid van anderen – erop gericht zijn om aan gewone situaties iets creatiefs toevoegen vanuit de eigen creativiteit
-Enthousiast zijn om nieuwe dingen uit te proberen alleen en samen met anderen – durven, ook wanneer men niet goed weet waar men uitkomt – durven improviseren en afwijken van vertrouwde paden – al doende (intuïtief) een werkwijze bedenken
-Nagaan of men niet te veel op platgetreden paden is gebleven – buiten de lijnen denken – gericht zoeken naar alternatieve en nieuwe oplossingen
-Samen met anderen of zelfstandig op een creatieve wijze zoeken naar oplossingen voor een spel- of bewegingsprobleem
-Een nood aan verandering opmerken – plezier beleven aan het bedenken en vinden van nieuwe oplossingen

Gezonde en veilige levensstijl.
-Het belang van veel bewegen kennen en streven naar één uur per dag bewegen aan matige of hoge intensiteit en het drie keer per week uitvoeren van specifieke activiteiten die de spieren en botten versterken
-Gezonde en ongezonde, veilige en onveilige omgevingen en gedragingen in verband brengen met wat men weet over het functioneren van het eigen lichaam
-Nadenken over voorzorgsmaatregelen die het risico op ziekte of ongeval verminderen zoals: veiligheidsafspraken naleven, materiaal oordeelkundig gebruiken, veilig opbergen van materialen …
-Gevaren en risico’s van bewegingssituaties kennen en inschatten

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Ervaren hoe elk lid van de groep mee de dynamiek van de groep bepaalt – de eigen plaats en waarde binnen de groep ervaren – ervaren hoe de identiteit van de groep(en) waartoe men behoort mee de eigen identiteit bepaalt
-Beleven hoe men in verbondenheid met een gemeenschap een overstijgende dimensie van het leven op het spoor kan komen

Waardengevoeligheid en normbesef.
-Het goede verkennen in verschillende vormen – onderscheid maken tussen goed en kwaad op basis van de achterliggende intentie en dit benoemen – gaandeweg genuanceerder denken over goed en kwaad
-Ervaringen delen betreffende het al dan niet naleven van afspraken en regels en de gevolgen ervan voor zichzelf en anderen – zich zonder begeleiding of toezicht aan afspraken, regels en omgangsvormen houden

Veerkracht.
-Nadenken over de oorzaken die situaties moeilijk maken – opgedane ervaringen met lastige situaties en frustraties gebruiken om die situaties te vermijden of ze aan te pakken wanneer ze zich opnieuw voordoen – oplossingen bedenken om die situaties en de frustraties die eruit voortkomen aan te pakken (al dan niet met hulp of onder begeleiding) – steun zoeken en vragen
-Weten dat bepaalde ziekteverschijnselen en handicaps niet altijd kunnen worden vermeden
-Inzien dat ‘moeilijke momenten’ een deel van een groeiproces zijn – inzien dat je als mens blijft groeien en je steeds weer kunt ‘vernieuwen’
-Adequaat omgaan met gevoelens van nervositeit en onrust
-Bewust afstand nemen van een situatie – een vluchtroute kennen en gebruiken om bewust een stop te zoeken
-Grensoverschrijdend gedrag herkennen en benoemen – nadenken over en zich inleven in de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag voor zichzelf en anderen – grensoverschrijdend gedrag melden bij een vertrouwenspersoon
-Aanvoelen waar de eigen grenzen liggen -aangeven wanneer de eigen grenzen worden overschreden – assertief zijn en ‘neen’ durven/kunnen zeggen wanneer men iets niet wil – vaardigheden ontwikkelen die toelaten om zich weerbaar te gedragen

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Ervaren hoe relaties en vriendschappen kunnen verschillen – verschillende samenlevingsvormen (ver)kennen
-Zich openstellen voor vriendschap – tot uitwisseling komen met vrienden – het belang van wederzijdse aandacht en instemming ervaren bij vriendschap – ervaren dat het deugd doet om vrienden te hebben of vriend te zijn – het belang van wederkerigheid op langere termijn in een relatie ervaren
-Ervaren hoe mensen in een groep elkaar nodig hebben – ontdekken hoe men zelf en anderen deel uitmaken van verschillende groepen – ervaren hoe men, afhankelijk van de groep, verschillende rollen opneemt – informele (speel)groepen vormen rond gebeurtenissen van het moment
-Gebeurtenissen, contexten en personen vanuit de verschillende gezichtspunten van de betrokkenen bekijken – begrijpen dat mensen verschillende perspectieven kunnen hebben van waaruit ze handelen – loskomen van vooroordelen en veralgemeningen
-Ervaringen rond discriminatie uitwisselen – zich onthouden van elke vorm van discriminatie – kiezen voor dialoog en samenwerking
-In een grote of minder vertrouwde groep over zichzelf vertellen -oogcontact maken met anderen in de groep
-Zich gereserveerd durven opstellen – beslissen over welke informatie men wel of niet deelt – iets in vertrouwen opnemen – iets geheim kunnen houden
-Eigen gedrag afstemmen op anderen zodat iedereen aan de beurt komt: iemand laten uitspreken, plaats maken voor een ander, de ander het recht gunnen om op het voorplan te treden – de andere iets gunnen
-Observeren van interacties zonder meteen zelf deel te nemen – kunnen beslissen om niet in te gaan op iets, om niet deel te nemen aan conflicten, pesten, ruzie –
-Inzien dat elk kind/volwassene een conflict beleeft vanuit zijn eigen ervaring en beleving en bereid zijn te luisteren naar elkaars ervaring – bereid zijn om eigen boosheid te uiten op een manier die niet schadelijk is voor zichzelf of anderen – boosheid duiden als een positieve emotie die zegt dat men verandering wil en onderscheiden van agressie waarbij het gaat om gedrag dat schade berokkent
-Bereid zijn met mekaar in interactie te gaan op basis van gelijkwaardigheid en niet in de positie van ‘meerdere’ of ‘mindere’ – het onderscheid kunnen maken tussen wat men waarneemt en de oordelen die men uitspreekt – ontdekken dat er een verschil is tussen een feit, een mening, een oordeel en een vooroordeel – inzien dat oordelen de communicatie vaak verbreken omdat de ander zich aangevallen voelt terwijl objectieve waarnemingen de communicatie open houden
-Eigen gevoelens bij een conflict uitdrukken – empathisch luisteren naar de andere zonder zichzelf schuldig te voelen – eigen behoeften bij het conflict uitdrukken en ook luisteren naar de behoeften van de ander(en) – zoeken naar mogelijkheden om tegemoet te komen aan de behoeften van alle betrokkenen – zelf een concreet verzoek doen aan de ander of vragen wat de ander nodig heeft om zich opnieuw goed te voelen

Omgaan met gevoelens en behoeften.
-Nuances van de vier basisgevoelens bij zichzelf en anderen waarnemen en benoemen – bewust omgaan met gevoelens en behoeften en deze voor anderen begrijpelijk uiten – in een niet conflict-geladen situatie eigen indrukken, gevoelens, verlangens en waarderingen spontaan uitdrukken
-Nadenken over de oorzaak van die gevoelens – gedragsuitingen van zichzelf en anderen verbinden met gevoelens – concreet beschrijven wat men bij zichzelf en anderen waarneemt – zich bewust zijn van ervaringen waarbij meerdere gevoelens en behoeften in het geding zijn – kunnen omgaan met wisselende stemmingen van zichzelf en anderen
-Met voorbeelden uit de eigen leefwereld illustreren dat gedrag en gevoelens situatiegebonden zijn

Inlevingsvermogen.
-Zich inleven in de gedachten en gevoelens van anderen – ervaren en inzien hoe anderen handelen vanuit eigen motieven en verwachtingen – een emotionele reden kunnen achterhalen voor iemands gedrag
-Zich voorstellen en beschrijven wat een ander waarneemt vanuit een andere positie
-In het eigen gedrag rekening houden met de gedachten, gevoelens, behoeften, standpunten en gedrag van anderen – daar respectvol mee omgaan – eigen gedrag afstemmen op de bedoelingen van anderen – zich verplaatsen in de gedachtegang, gevoelens en behoeften van andere kinderen
-Aanvoelen wat voor iemand gevoelig ligt of belangrijk is en daar spontaan rekening mee houden  

Seksueel bewustzijn.
-Beseffen dat vriendschappen kunnen verschillen in aspecten als leeftijd, geslacht en belangstelling, maar altijd vertrouwen en respect als basis hebben – verschillende samenlevingsvormen (h)erkennen en weten dat de samenstelling daarvan door verschillende oorzaken kan veranderen

ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST
Levensbeschouwelijk, religieus en/of godsdienstig groeien.

Zes tot achttien jaar: Ik, mijn levensbeschouwing en deze van de ander
*De eigenheid van andere levensbeschouwingen ontdekken en verwoorden (ILC8)
*De eigenheid van een levensbeschouwing zoals een bevoorrechte getuige of een relevante vertegenwoordiger van een levensbeschouwing ze voorstelt ontdekken en verwoorden (ILC9)
*Gelijkenissen en verschillen tussen levensbeschouwingen ontdekken en verwoorden (ILC10)
*De interne pluraliteit in verschillende levensbeschouwingen ontdekken en verwoorden (ILC11)
*De levensbeschouwelijke kleuring van gedachten, gevoelens, ervaringen, waarden en normen bij zichzelf en anderen herkennen en benoemen (ILC12)
*Het bestaan van levensbeschouwingen respecteren (ILC13)
*Zich in het levensbeschouwelijk perspectief van anderen verplaatsen (ILC15)
*Is constructief kritisch zijn over eigen en andere levensbeschouwingen (ILC16)
*Respectvol en open omgaan met de eigenheid van andere levensbeschouwing -en (ILC17)
*Empathisch luisteren naar leeftijdsgenoten met een andere levensbeschouwing (ILC14)
-Zes tot achttien jaar: Ik, mijn levensbeschouwing en de samenleving
*De verschillen tussen stereotyperingen over een levensbeschouwing en de binnenkant van een levensbeschouwing ontdekken en verwoorden (ILC18)
*Moeilijkheden en kansen voor interlevensbeschouwelijk dialogeren en interlevensbeschouwelijk samenleven ontdekken en verwoorden (ILC19)
*De rol van levensbeschouwingen voor zichzelf en de samenleving ontdekken en verwoorden (ILC20)
*Levensbeschouwelijke stereotypering van levensbeschouwelijke identiteit onderscheiden (ILC21)
*Constructief omgaan met moeilijkheden en kansen voor interlevensbeschouwelijk dialogeren en interlevensbeschouwelijk samenleven (ILC22)
*Interlevensbeschouwelijk dialogeren en interlevensbeschouwelijk samenleven oefenen als noodzakelijke vaardigheid voor het leven in de realiteit van een multilevensbeschouwelijke samenleving (ILC23)
*Afspraken en regels nodig voor interlevensbeschouwelijk samenleven herkennen en deze toepassen (ILC24)


(7-12jaar)

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Lichaams- en bewegingsperceptie.

-Besef hebben van een correcte lichaamshouding in stand, in zit en bij belasting

ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de samenleving.

-Ervaren, exploreren, vaststellen en uitdrukken:
*dat in onze samenleving mensen leven die niet of nauwelijks in hun levensnoodzakelijke behoeften kunnen voorzien
*hoe mensen nood hebben aan meer dan enkel materiële voorzieningen
*hoe solidariteit het verschil kan maken voor kansarmen
*hoe behoeften kunstmatig worden opgewekt door reclame, groepsdruk …
-Onderzoeken en vaststellen hoe beleidsmakers verantwoordelijkheid opnemen voor de samenleving door het organiseren van: gezondheidszorg, onderwijs, nutsvoorzieningen, mobiliteit, cultuur, maatschappelijk werk, … – voorbeelden geven van mogelijkheden die in de samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarde mensen en mensen met een beperking of handicap – vormen van toezicht, controle en bescherming erkennen en herkennen: politie, brandweer, civiele bescherming, inspectie …
-In interactie gaan over de taak van een burgemeester, een schepen, een gouverneur, een minister, een volksvertegenwoordiger, de koning, een rechter …
-Ervaren en vaststellen hoe verkiezingen iedereen de kans geven om mee te beslissen wie bestuurt – democratische en niet-democratische samenlevingsvormen vroeger en nu onderzoeken en illustreren
-Ervaren en vaststellen dat ‘tijd hebben voor’ en ‘genieten van’ te maken heeft met ‘tijd maken voor’ en ‘willen genieten van’ – ervaren en vaststellen hoe de beleving van tijd mee bepaald worden door diverse factoren zoals humeur, betrokkenheid, verwachting, leeftijd en de kansen die men neemt en krijgt om al dan niet tijd te maken …

Oriëntatie op tijd.
-Verschillende soorten kalenders functioneel gebruiken: agenda, kalender van het burgerlijk jaar, kalender van het kerkelijk jaar
-Actuele toestanden, gebeurtenissen en erfgoed uit de omgeving verbinden met het verleden
-Vaststellen en uitdrukken dat je in de ketting verleden-heden-toekomst een rol speelt en dat je zo actief deel uitmaakt van de wereld – nadenken over de eigen toekomst in een veranderende wereld
-Onderzoeken van de voorgeschiedenis en de evolutie van elementen uit de natuur en van hedendaagse gebeurtenissen, objecten en fenomenen zoals fossielen, vrije tijd, speelgoed, communicatie, samenlevingsvormen , werken, wonen, feesten …
-Waarnemen, onderzoeken en illustreren hoe dagelijkse gebruiksvoorwerpen, technische systemen , kleding, gebouwen … evolueren in de tijd
-Ervaren, onderzoeken, vaststellen en uitdrukken hoe hun levenswijze gelijkenissen en verschillen vertoont met die van mensen uit vroegere periodes en andere plaatsen en culturen – fantaseren en uitdrukken hoe het leven er in de toekomst of op een andere plek uit kan zien
-De geschiedenis van veel voorkomende culturele, katholieke en andere religieuze en historische feesten en gebeurtenissen achterhalen
-Uit de verhalen en kennis over oorlog en geweld uit het verleden en heden inzien hoe belangrijk verdraagzaamheid, vrede en solidariteit zijn

Oriëntatie op de ruimte.
-Ervaren en vaststellen hoe de beleving van een ruimte mee bepaald worden door de inrichting ervan, omstandigheden en persoonlijk aanvoelen
-In interactie gaan over het verschil tussen beleefde en absolute afstand
-Suggesties geven voor het inrichten van de eigen omgeving in functie van vooropgestelde doelen – daarbij rekening houden met aspecten zoals nabijheid, veiligheid, bereikbaarheid en comfort
-De aarde waarderen als een plaats waar mensen met anderen kunnen samenleven en zich engageren om respectvol met de aarde als leefruimte om te gaan
-Onderzoeken en inzien dat mensen behoefte hebben of genoodzaakt zijn om ruimtes af te bakenen – vaststellen hoe ze dat doen
-Een landschap gericht waarnemen en vaststellen waar activiteiten of bepaalde elementen veel, weinig of niet voorkomen: landbouw, wonen, industrie, handel, diensten, recreatie, welvaart , godsdienst, taal, vervoer, toerisme … – onderzoeken hoe menselijke activiteit zich afstemt op de kenmerken van het landschap
-De invloed van de natuur, historische en/of maatschappelijke gebeurtenissen waarnemen en onderzoeken in landschappen
-Eenvoudige plattegronden van (een steeds ruimere) omgeving tekenen
-Voor hen bekende plaatsen kunnen terugvinden op een plattegrond of luchtfoto
-Interesse tonen voor het situeren van voor hen betekenisvolle plaatsen op een kaart
-Gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere school- en thuisomgeving lokaliseren en erop anticiperen
-Bij eigen verplaatsingen anticiperen op mogelijk gevaar en hindernissen – rekening houden met andere weggebruikers en er op inspelen
-Over voldoende reactiesnelheid, evenwichtsbehoud en coördinatiegevoel beschikken om zich als weggebruiker in het verkeer te begeven
-Een reisweg tussen twee plaatsen begrijpelijk verwoorden en aanduiden op een plattegrond of een eenvoudige kaart zodat anderen die kunnen volgen

Oriëntatie op techniek.
-Bij het hanteren en (de)monteren van technische systemen ontdekken uit welke materialen, grondstoffen of onderdelen ze gemaakt zijn – onderzoeken welke functie bepaalde onderdelen hebben
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe belangrijk juiste ingrediënten en de hoeveelheid ervan zijn voor het welslagen van een bereiding – ervaren en vaststellen hoe grondstoffen worden verwerkt tot materialen en/of producten
-Waarnemen, vaststellen en uitdrukken uit welke grondstoffen technische systemen uit de eigen omgeving gemaakt zijn
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe de (technische) mogelijkheden van het lichaam aan de basis liggen van de ontwikkeling van technische systemen – ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe voorwerpen een aanvulling of verbetering kunnen zijn van menselijk handelen
-Onderzoeken hoe de aard en de kwaliteit van de verbindingen en hechtingen in een constructie de stevigheid en bruikbaarheid ervan bepalen
-Onderzoeken en vaststellen waarom een zelf gemaakt of bereid technisch systeem goed, niet of slecht functioneert – werkwijzen en technische systemen vergelijken en beoordelen aan de hand van criteria – inzien dat technische systemen om onderhoud vragen
-Bepalen aan welke vereisten het technisch systeem dat ze willen gebruiken of realiseren, moet voldoen in functie van een vooropgesteld doel
-Illustreren hoe technische systemen evolueren en verbeteren
-Een probleem, ontstaan vanuit een behoefte, technisch oplossen en daarbij de verschillende stappen van het technisch proces doorlopen: het probleem stellen, ontwerpen, maken, in gebruik nemen en evalueren
-De verschillende toepassingsgebieden van techniek verkennen
-Technische systemen in verschillende toepassingsgebieden van techniek gebruiken en/of realiseren
-Nieuwsgierig zijn naar onderzoek en actuele uitvindingen – nadenken over het impact van nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen op het dagelijks leven
-Kennismaken met eenvoudige distributiesystemen uit de omgeving: verwarming, water, elektriciteit, gas …
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe eenzelfde technisch proces op verschillende manieren (ambachtelijk, geautomatiseerd, bandwerk, maatwerk …) kan doorlopen worden
-Vaststellen hoe hout, steenkool, aardgas, aardolie, mest, koolzaadolie, afval … als brandstof gebruikt worden en zo energie leveren – inzien dat energie nodig is om materialen en grondstoffen te vervormen, te veranderen, te bewegen, te verbinden
-Ervaren en vaststellen hoe men, naar gelang de omgeving, andere technische systemen gebruikt (mixer en oven in de keuken, handklopper en klein fornuis op de camping … )
-Ervaren en vaststellen in welke mate we afhankelijk zijn van techniek en welke de beperkingen ervan zijn en hierover in interactie gaan
-Milieuvriendelijke en voor hen veilige technische systemen kiezen boven andere
-Ervaren en vaststellen hoe een oordeelkundig gebruik van technische systemen bijdraagt tot de efficiëntie, de duurzaamheid en de veiligheid ervan en hierover in interactie gaan

Oriëntatie op natuur.
-In een beperkte verzameling van organismen gelijkenissen en verschillen onderzoeken: lichaamsbouw van mensen en dieren, uiterlijk en gedrag van organismen, verschillende organismen van dezelfde soort …
-Onderzoeken en illustreren dat levende organismen energie nodig hebben – de wet van eten en gegeten worden kunnen illustreren aan de hand van minstens twee met elkaar verbonden voedselketens
-Onderzoeken en illustreren dat energie nodig is voor het functioneren van levende en niet-levende systemen – de energiebronnen benoemen
-Onderzoeken en illustreren hoe de mens afhankelijk is van grondstoffen uit de natuur
-Ervaren, onderzoeken, vaststellen en uitdrukken:
*welke verschillende stadia levende organismen in hun ontwikkeling doorlopen, deze stadia onderscheiden en chronologisch rangschikken
*hoe levende organismen afsterven of dood gaan
*hoe de ontwikkeling van levende organismen soms anders dan verwacht verloopt en dat respecteren
-De langetermijneffecten van lichamelijke inspanningen ervaren en vaststellen.
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe iets maken vaak leidt tot één of andere vorm van afval – illustreren hoe bepaalde menselijke activiteiten soms schade berokkenen in de vorm van lucht-, water- en bodemverontreiniging, opwarming van de aarde …
-Illustreren hoe men duurzaam omgaat met bodem, lucht, water, energiebronnen , grondstoffen , afval (verzamelen, sorteren en recycleren), voedsel … – zelf duurzaam handelen

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediawijsheid.

-Ervaren en vaststellen dat de informatie uit mediacontent vaak een subjectieve weergave van de werkelijkheid is
-Aangereikte criteria hanteren bij het beoordelen van eigen en andermans mediagebruik en boodschappen en daarbij de vragen van het communicatiemodel inzetten
-Ervaren hoe dezelfde mediacontent vanuit verschillende standpunten op een andere manier ervaren kan worden – zich daarover uitdrukken – daarmee rekening houden bij het eigen mediagebruik

Mediageletterdheid.
-Illustreren hoe media een rol spelen in het dagelijks leven – inschatten wat media voor henzelf betekenen

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Onderzoekscompetentie.

-Experimenteren en exploreren zonder gefocust te zijn op een vooraf bepaald eindresultaat of eindproduct – intentioneel exploreren en experimenteren om iets na te gaan of te weten te komen, van tastbaar naar minder tastbaar en abstract
-Experimenteren met combinaties van materialen, technieken … en zo nieuwe mogelijkheden ontdekken – met nieuwe ogen naar vertrouwde dingen kijken en zo nieuwe mogelijkheden ontdekken – via experimenteren ervaren hoe bepaalde dingen op elkaar ingrijpen en beïnvloeden
-Zelf kansen en condities creëren om te experimenteren en te exploreren
-Onderzoekend leren : zich laten inpalmen door nieuwe dingen uit de omgeving – onderzoeksvragen stellen – een onderzoeksuitkomst voorspellen – een onderzoeksstrategie bedenken en uitvoeren – experimenteren en exploreren – onderzoeksresultaten en bevindingen bundelen – verslag uitbrengen en een conclusie formuleren, een antwoord op de onderzoeksvraag geven – over het onderzoek en de resultaten en bevindingen ervan met anderen communiceren – met de resultaten en bevindingen aan de slag gaan

Engagement voor duurzaam samenleven.
-Zich stapsgewijs bewust worden van het feit dat mensen verbonden zijn over tijd en ruimte – geleidelijk ontdekken dat het eigen handelen verbonden is met het groter geheel – de eigen verantwoordelijkheid voor de mensen en de planeet verkennen en beleven
-Ervaren en verwoorden in welke situaties in de eigen omgeving er geen gelijke kansen geboden worden – uitdrukken op welke manier hen dit raakt – kleur bekennen ten aanzien van sociale (on)rechtvaardigheid
-Zorg dragen voor mensen die kwetsbaar zijn, dichtbij en veraf – deelnemen aan acties die gericht zijn op het komen tot gelijke kansen – persoonlijke ervaringen met sociale acties met elkaar delen en daaruit leren voor de toekomst
-Ervaren en verwoorden in welke situaties de natuur en het milieu bedreigd zijn – uitdrukken op welke manier hen dit raakt – kleur bekennen ten aanzien van de natuur- en milieuproblematiek
-Zorg dragen voor het milieu, dichtbij en veraf – deelnemen aan acties die ijveren voor meer zorg voor natuur en milieu – persoonlijke ervaringen met dergelijke acties met elkaar delen en daaruit leren voor de toekomst
-Geleidelijk aan beseffen hoe consumptiegedrag bepaald wordt door aspecten zoals: economische factoren, sociale achtergrond, groepsdruk, reclame, eigen keuzes … – ervaren hoe de wijze van consumeren ook iets vertelt over wie men is
-Ervaren en verwoorden in welke situaties consumptiegedrag problematisch is – uitdrukken op welke manier hen dit raakt – kleur bekennen ten aanzien van overconsumptie en de ongelijke verdeling van middelen
-Bewust(er) consumeren – initiatieven nemen en verantwoordelijkheid dragen binnen/buiten de school op het vlak van consumptie of een (on)houdbare economie – persoonlijke ervaringen met dergelijke acties met elkaar delen en daaruit leren voor de toekomst

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Levensbeschouwelijke grondhouding.

-Ontdekken hoe mensen in hun zoeken niet (alleen) zin ‘geven’, maar ook zin ‘ontvangen’ – ontdekken hoe levensbeschouwelijke beleving en spiritualiteit, zowel in blije als in moeilijke tijden een gids en een steun kunnen zijn
-De eigen vragen over leven en dood, goed en kwaad, God, verscheidenheid … aftoetsen aan levensbeschouwelijke bronnen die worden aangereikt
-In de christelijke en andere levensbeschouwelijke tradities het denken, voelen en beleven van mensen ontdekken en zien hoe ze door de tijd evolueren – ontdekken hoe deze veranderende manier van kijken naar de eigen levensbeschouwing verrijkend kan zijn voor zichzelf, voor de anderen en voor levensbeschouwelijke tradities

Waardengevoeligheid en normbesef.
-Nieuwsgierig zijn naar en beluisteren waarom bepaalde waarden en normen voor anderen belangrijk zijn – respect en waardering opbrengen voor de waarden en normen van anderen zolang die stroken met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
-Vanuit een respectvolle uitwisseling met anderen de eigen waarden en normen kritisch onder de loep nemen – kritisch de ander bevragen op zijn of haar waarden en normen


(8-12jaar)

ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.

-Gehele negatieve getallen, lezen, schrijven en vergelijken in betekenisvolle situaties
-De relatieve grootte van getallen inschatten binnen het gekende getalbereik
-Hoeveelheden schatten door schatprocedures te gebruiken bij niet exact bepaalde of niet exact te bepalen gegevens

Rekenvaardigheid.
-Ervaren en toepassen dat bij een optelling:
*de termen van plaats mogen worden gewisseld
*de volgorde waarin de termen worden samengenomen (de plaats van de haakjes) geen invloed heeft op de som
*de som van twee getallen niet verandert als bij één term een getal opgeteld en van de andere term hetzelfde getal wordt afgetrokken
-Ervaren en toepassen dat bij een aftrekking:
*de termen niet van plaats mogen worden gewisseld
*de volgorde waarin de termen worden samengenomen (de plaats van de haakjes) invloed heeft op het verschil
*het verschil van twee getallen niet verandert als bij beide termen hetzelfde getal wordt opgeteld of van beide getallen hetzelfde getal wordt afgetrokken
-Ervaren en toepassen dat bij de vermenigvuldiging:
*de factoren van plaats mogen worden gewisseld
*de volgorde waarin de factoren worden samengenomen (de plaats van de haakjes) geen invloed heeft op het product
*het product van twee getallen niet verandert als één factor vermenigvuldigd wordt met een getal en de andere factor wordt gedeeld door hetzelfde getal
*de factoren kunnen worden gesplitst in een som of een verschil zonder dat het product verandert (factor splitsen en verdelen)
-Ervaren en toepassen dat bij de deling:
*de factoren niet van plaats mogen worden gewisseld
*de volgorde waarin de factoren worden samengenomen (de plaats van de haakjes) invloed heeft op het quotiënt
*het quotiënt van twee getallen niet verandert als beide factoren met hetzelfde getal vermenigvuldigd of door hetzelfde getal worden gedeeld
*enkel het deeltal kan worden gesplitst in een som of een verschil zonder dat het quotiënt verandert (deeltal splitsen en verdelen)
-De eigenschappen van de bewerkingen ervaren en toepassen door gebruik te maken van schakelen, van plaats wisselen, splitsen en verdelen. Het symbool () in bewerkingen correct interpreteren
-De relaties tussen de bewerkingen onderzoeken en vaststellen:
*optelling en aftrekking
*vermenigvuldiging en deling
*optelling en vermenigvuldiging
*aftrekking en deling
-Het cijferalgoritme om op te tellen begrijpen en toepassen in eenvoudige en zinvolle situaties en op basis van inzicht in het tientallig stelsel – optellen met maximum 5 getallen: de som < 10 000 000 – de uitgevoerde bewerking controleren
-Het cijferalgoritme om af te trekken begrijpen en toepassen in eenvoudige en zinvolle situaties en op basis van inzicht in het tientallig stelsel – aftrekken: aftrektal < 10 000 000 en maximum 8 cijfers – de uitgevoerde bewerking controleren
-Het cijferalgoritme om te vermenigvuldigen begrijpen en toepassen in eenvoudige en zinvolle situaties en op basis van inzicht in het tientallig stelsel – vermenigvuldiger bestaat uit max. 3 cijfers; het product is gelijk aan maximum 8 cijfers – de uitgevoerde bewerking controleren
-Het cijferalgoritme om te delen begrijpen en toepassen in eenvoudige en zinvolle situaties en op basis van inzicht in het tientallig stelsel – deler bestaat uit maximum 3 cijfers – de uitgevoerde bewerking controleren

Meetkunde.
-Onderzoeken en vaststellen in de werkelijkheid en in tweedimensionale weergaven ervan wat er in driedimensionale constructies wordt gezien vanuit diverse perspectieven bij mentale verplaatsing in de ruimte en daarbij de termen richting, plaats, vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht en hoogteplan kennen en gebruiken
-Ruimtelijke wiskundige problemen oplossen gebruikmakend van
*de relatie tussen de aanzichten (voor-, zij-, bovenaanzicht) en het hoogteplan van een driedimensionale constructie en omgekeerd
*kijklijnen en standpunten
*schaduwbeelden
*ruimtelijke patronen en het verderzetten van patronen in één of meerdere richtingen en/of volgens opgegeven voorschriften
*wiskundige coördinatenstelsels en coördinaten
*inzicht in meetkundige objecten en meetkundige relaties

MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische vaardigheid.

-Oefenen in het boetseren met onderdelen en die hechten (rolletjes, kleiplaten, kleireliëf) – complexere boetseertechnieken verkennen met (nieuwe) plastische materialen – mogelijkheden verkennen van werken met plastische materialen op een skelet/draadgeraamte

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Lichaams- en bewegingsperceptie.

-Een zekere voorkeursbewegingsrichting en voorkeursbewegingsrotatie tonen
-In taken waar tweevoetigheid vereist is, een taakverdeling in het gebruik van linker- en rechtervoet tonen en het onderscheid tussen afstootbeen en zwaaibeen, tussen steunvoet en beweegvoet weten

Omgaan met bewegingsruimte en -tijd.
-Verschillende objecten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van zichzelf een plaats geven
-Complexere ruimtelijke opstellingen aannemen in groep
-Strategisch positie kiezen in functie van de afstand tot lijnen, objecten, personen of in functie van de eigen mogelijkheden

ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de ruimte.

-De gevolgen vaststellen van het toenemende transport en vervoer en en illustreren welke duurzame, alternatieve manieren er zijn om mensen, dieren en goederen te verplaatsen – daarbij oog hebben voor het welzijn van mens en dier

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediageletterdheid.

-Inhoud en/of bestanden delen
-Onder begeleiding bestanden beheren door: mappen en bestanden aan te maken, een naam te geven, te ordenen, te verplaatsen en te verwijderen
-Klaviervaardigheden ontwikkelen waaronder: toetsenbord hanteren
-Openen, bewaren, hernoemen en sluiten van bestanden
-Bestanden afdrukken
-Wisselen tussen geopende applicaties
-Navigeren in een applicatie
-Een afbeelding invoegen
-Openen, bewaren, hernoemen en sluiten van bestanden
-Selecteren, knippen, kopiëren, plakken en wissen.

Mediavaardigheid.
-Op een eenvoudige wijze foto’s bewerken door de grootte te wijzigen, het formaat bij te snijden, de kleurtoon te veranderen, …
-Een website-adres (URL) invoeren – in een voor hen bestemde omgeving (op het internet zoeken) via een zoekrobot en daarbij aangepaste en/of zelfgekozen zoektermen gebruiken – kritisch waarderen van URL’s

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Zelfstandig meerdere taken, gespreid over één of meerdere dagen plannen en organiseren – de tijd nodig om een taak of meerdere taken uit te voeren realistisch inschatten – het overzicht over het geheel van de taken bewaren
-De eigen taakbelasting realistisch inschatten en persoonlijke grenzen aangeven
-Vanuit eigen criteria reflecteren over eigen aanpakgedrag en daarbij aandacht hebben voor product en proces – bijsturen waar nodig
-Taakgebonden feedback geven aan en ontvangen van leeftijdsgenoten
-De eigen en andermans inspanning inschatten en waarderen
-Gepast reageren op feedback – op basis van waardevolle feedback het eigen handelen evalueren en (pro-actief) bijsturen

Ondernemingszin.
-Noden ervaren als een kans tot innovatief denken en handelen – iets bedenken dat bijdraagt tot de kwaliteit van het leven – door beschikbare middelen creatief aan te wenden tot oplossingen komen
-Ontwerpend leren : een probleem omschrijven en verkennen waaraan de oplossing moet voldoen – ideeën verzinnen en selecteren – concepten uitwerken en selecteren – prototype maken – testen en het ontwerp bijstellen, verbeteren – de oplossing presenteren en erover communiceren
-De symbolen van de hulpdiensten herkennen – weten welke hulpdienst waar voor instaat – deze hulpdiensten correct kunnen verwittigen – zichzelf en anderen in veiligheid kunnen brengen

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Ervaren hoe gemeenschappen een eigen identiteit hebben – inzien dat die identiteit niet vast staat, maar steeds verder groeit en mee bepaald wordt door haar leden – ervaren hoe de school als gemeenschap getuigt van haar identiteit als katholieke dialoogschool
-Beleven hoe de eigen identiteit groeit doorheen het samen op weg gaan met anderen – hierover reflecteren en communiceren

Waardengevoeligheid en normbesef.
-Motieven en argumenten achter goed handelen bij zichzelf en bij anderen herkennen – ontdekken hoe het goede doen verband houdt met tegemoetkomen aan je eigen gevoelens en behoeften en/of die van anderen, met eigen welzijn en dat van anderen – ervaren hoe mensen, door het goede te doen, tot elkaar komen – ontdekken hoe mensen deugd beleven aan het goede dat rondom hen gebeurt
-Eigen denken en handelen in verband met goed en kwaad voeden door de manier waarop mensen het goede beleven en uitdrukken in verhalen, kunst, rituelen… – ontdekken hoe mensen zich vanuit levensbeschouwelijke bronnen geïnspireerd weten om het goede na te streven – ontdekken hoe mensen een diepere dimensie van het leven op het spoor komen in het goede
-Zich betrokken voelen bij wat er gebeurt in de wereld, dichtbij en veraf – ervaren hoe het geweten hen soms uitnodigt om hun manier om naar de wereld te kijken te veranderen – ervaren hoe het eigen geweten aanzet om kritisch om te gaan met de eigen levensbeschouwelijke bronnen
-Beseffen dat regels en afspraken door mensen worden bepaald en ook door hen kunnen aangepast worden – blijvend kritisch nadenken over bestaande afspraken, regels en omgangsvormen – in overleg met de groep afspraken en regels waar nodig aanpassen en/of opstellen die het welzijn van zichzelf, van anderen en van een groter geheel ten goede komen
-Leeftijdsgenoten aanspreken wanneer deze zich wel of niet aan de regels houden

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Beseffen dat men om een vriendschap te beginnen, te onderhouden en te stoppen, een aantal dingen moet kunnen zoals: actief luisteren, assertief zijn en zich inleven in de ander – zich hierover uitdrukken
-Positieve en negatieve aspecten in een relatie herkennen en hierop reflecteren – ervaren hoe de eigen persoonlijkheid relaties beïnvloedt en hierop reflecteren
-Begrijpen hoe groepsdruk de relatie tussen mensen beïnvloedt – analyseren hoe men in een groep kan samenwerken
-Verschillen (h)erkennen tussen diverse sociale en culturele groepen – de specifieke identiteit en bijdrage van zo’n groep aan de samenleving herkennen
-Stereotypering en discriminatie herkennen en afwijzen
-Voorstellen doen om tot afspraken te komen – de verantwoordelijkheid over een groepstaak opnemen – deeltaken zelf organiseren en verdelen over de groep – eigen ideeën aanpassen aan de inbreng van de anderen
-Richtlijnen en adviezen naleven -gehoorzamen aan opgelegde adviezen, richtlijnen, informatie- leiding kunnen volgen
-Gepast omgaan met een meningsverschil – een verschil van mening kunnen aanvaarden – aanvoelen en benoemen dat een meningsverschil niet tot ruzie hoeft te leiden – bereid zijn eventuele ruzies en conflicten op te lossen
-Bij ruzie en conflicten uitdrukken wat voor hen belangrijk is zonder te beschuldigen of te verwijten – luisteren naar de beleving van de ander(en) – oog hebben voor oorzaak en gevolg
-Uitdrukken wat er in hen leeft in geval van een conflict en daarbij:
-waarnemen: zo objectief mogelijk vertellen wat er gebeurd is
-gevoelens en behoeften uitdrukken
-mogelijkheden tot oplossing formuleren: overwegen wat men zelf wil doen en wat men aan de ander wil vragen om aan de behoeften te voldoen
-Aandacht hebben voor wat er bij de ander leeft in geval van een conflict en daarbij:
-waarnemen: luisteren of informeren naar het verhaal van de ander
-luisteren naar de gevoelens en behoeften van de ander
-samen mogelijkheden tot oplossing formuleren: overwegen wat men zelf wil doen en wat men aan de ander wil vragen om aan de behoeften te voldoen

Omgaan met gevoelens en behoeften.
-Inzicht krijgen in complexere gevoelens zoals verliefdheid, verwarring, gespannenheid, eenzaamheid, schuld, schaamte, jaloersheid …
-Aangepast aan een situatie inschatten en beslissen op welke wijze men al dan niet uitdrukking geeft aan gevoelens en behoeften – beschrijven hoe men op een sociaal aanvaarde manier met gedrag en emoties omgaat

Inlevingsvermogen.
-Belangstelling tonen voor anderen, hun standpunten en voor andere situaties – oprechte empathie tonen
-Gebeurtenissen, contexten en personen vanuit verschillende perspectieven bekijken – in iemand anders’ schoenen stappen en zich inleven in diens gedachten, gevoelens, behoeften, standpunten en gedrag

Seksueel bewustzijn.
-Gevoelens van verliefdheid ervaren en beschrijven als een positief gevoel – beseffen dat verliefdheid kan verschillen in uitingsvorm, leeftijd en geslacht – kunnen omgaan met gevoelens van verliefdheid die niet beantwoord worden – de ervaring van liefde in woord, gebaar en lichamelijk contact als een primaire levensbehoefte van alle mensen (hetero en holebi) aanvaarden
-Weten wat seksueel misbruik inhoudt en op welke manier men eventueel om hulp kan vragen – seksueel grensoverschrijdend gedrag signaleren
-Weten dat iemand verliefd kan worden op een man, een vrouw of beide en dat respecteren – genuanceerd omgaan met genderstereotypen


(9-12jaar)

TAALONTWIKKELING
Mondelinge taalvaardigheid Nederlands.

-Verwerken van steeds complexere boodschappen met een onderwerp uit de ruimere leefwereld door:
*tweezijdig (kijk)luisteren: de leerling kan vragen om herhaling, om een trager spreektempo, om uitleg bij zaken die hij niet begrijpt
*eenzijdig kijkluisteren: de leerling maakt gebruik van een combinatie van woord en beeld, maar kan niet interageren met de boodschap(per)
*eenzijdig luisteren naar korte fragmenten: de leerling gaat in boodschappen zonder (audio)visuele ondersteuning en interactie op zoek naar specifieke informatie of de rode draad
-Verwerken van informatie uit verschillende boodschappen door:
*de informatie te vergelijken
*de volgorde van belangrijkheid te bepalen
*de informatie te schematiseren
-Met hulp van de leraar luisterstrategieën steeds strategischer inzetten
*verbinden met voorkennis over teksten en tekststructuren, over woordsoorten en woordbetekenissen …
*aantekeningen maken tijdens het luisteren
*relaties in de boodschap ontdekken (oorzaak-gevolg, middel-doel, deel-geheel, verwijsrelaties)
*bij elke luisterbeurt gerichter luisteren naar specifieke informatie
*overleggen met anderen over de conclusie van de boodschap
*reflecteren over gebruikte luisterstrategieën
-De vragen van het communicatiemodel inzetten bij het verwerken van een boodschap
-Nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het verwerken van een boodschap
-Spreekgemak ervaren
-Boodschappen overbrengen met
*gepaste formuleringen
*inhoudelijke samenhang
*aandacht voor spreektechnische aspecten
*aandacht voor niet-talige aspecten (zoals mimiek en lichaamstaal)
-Op persoonlijke wijze complexere boodschappen voor een gevarieerd luisterpubliek (leeftijdsgenoten en vooral bekende volwassenen) overbrengen:
*onderwerpen uit de leefwereld
*abstracte schoolse onderwerpen
*bekende of behandelde onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Met hulp van de leraar spreekstrategieën steeds strategischer inzetten
*verschillende bronnen raadplegen
*materiaal selecteren en ordenen
*spreekdoel, luisterpubliek, tekstsoort of teksttype van tevoren vaststellen
*gebruikmaken van een kijkwijzer of een plannetje bij de voorbereiding
*feedback geven op boodschappen van anderen
*inspelen op reacties van de luisteraars
*reflecteren op het spreekproduct en spreekproces
*reflecteren over de gebruikte spreekstrategieën
-De vragen van het communicatiemodel inzetten bij het overbrengen van een boodschap
-Nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het overbrengen van een boodschap
-Gesprekken voeren en discussiëren met leeftijdsgenoten en bekende volwassenen over onderwerpen uit de leefwereld, over abstractere schoolse onderwerpen, over bekende of behandelde onderwerpen uit de ruimere omgeving:
*eigen mening vergelijken met die van anderen, onderscheid maken tussen mening en feit, een eigen mening naar voor brengen, kritisch reageren, passende argumenten naar voor brengen …
*zelf gespreksbeurten verdelen, een gesprek inleiden en afronden, oplossingen zoeken als een gesprek vastloopt, de inbreng van alle gesprekspartners respecteren …
*het gesprek samenvatten in eigen woorden

Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.
-Allerlei complexere talige en niet-talige boodschappen, afgestemd op interesse en ruimere leefwereld, verwerken
-Verwerken van informatie uit verschillende boodschappen door
*de informatie te vergelijken
*de volgorde van belangrijkheid te bepalen
*de informatie te schematiseren
-Met hulp van de leraar leesstrategieën steeds strategischer inzetten
*verbinden met voorkennis over teksten en tekststructuren, over woordsoorten en woordbetekenissen …
*belangrijke woorden, zinnen, beelden, relaties … markeren in de boodschap
*relaties in de boodschap ontdekken (oorzaak-gevolg, middel-doel, deel-geheel, verwijsrelaties)
*overleggen met anderen over de conclusie van de boodschap
*reflecteren over de gebruikte leesstrategieën
-De vragen van het communicatiemodel inzetten bij het verwerken van een boodschap
-Nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het verwerken van een boodschap
-Schrijfgemak ervaren
-Boodschappen schrijven met
*gepaste woordkeuze en correcte zinsbouw
*inhoudelijke samenhang
*beeldende elementen ter ondersteuning van de boodschap
-Steeds complexere boodschappen voor een gevarieerd lezerspubliek (zichzelf, leeftijdsgenoten en vooral bekende volwassenen) schrijven:
*onderwerpen uit de leefwereld
*abstracte schoolse en zakelijke onderwerpen
*bekende of behandelde onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Schrijven ervaren als een proces van oriënteren, plannen, formuleren, reviseren en reflecteren
-Met hulp van de leraar schrijfstrategieën steeds strategischer inzetten:
*verschillende bronnen raadplegen
*materiaal selecteren en ordenen
*schrijfdoel, schrijfpubliek, tekstsoort of teksttype van tevoren bepalen
*schrijfproducten reviseren
*gebruikmaken van een kijkwijzer of een plannetje bij de voorbereiding
*reflecteren op het schrijfproduct en schrijfproces
*reflecteren op de gebruikte schrijfstrategieën
-De vragen van het communicatiemodel inzetten bij het overbrengen van een boodschap
-Nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het overbrengen van een boodschap
-Aandacht besteden aan de structuur van de boodschap:
*toepassen van inzichten over zins- en tekststructuur in eigen boodschappen
*feedback geven aan klasgenoten over zins- en tekststructuur van hun boodschappen
*aanpassen van eigen boodschappen a.d.h.v. inzichten over zins- en tekststructuur na het krijgen van feedback
-Aandacht besteden aan lay-out en beeldende elementen:
*ontdekken welke invloed lay-out en beeldende elementen hebben bij verschillende tekstsoorten en teksttypes of bij een verschillend lezerspubliek
*toepassen van inzichten over de rol van lay-out en beeldende elementen in eigen boodschappen
*feedback geven aan klasgenoten over lay-out en beeldende elementen in hun boodschappen
*aanpassen van eigen boodschappen a.d.h.v. inzichten over lay-out en beeldende elementen na het krijgen van feedback
-Aandacht besteden aan leesbaarheid:
*ontdekken dat leesbaarheid het begrijpen van de inhoud van de schriftelijke boodschap beïnvloedt
*toepassen van inzichten over de rol van leesbaarheid in eigen boodschappen
*feedback geven aan klasgenoten over leesbaarheid in hun boodschappen
*aanpassen van eigen boodschappen a.d.h.v. inzichten over leesbaarheid na het krijgen van feedback
-Aandacht besteden aan spelling en interpunctie:
*toepassen van inzichten over spelling en interpunctie
*feedback geven aan klasgenoten over spelling en interpunctie
*aanpassen van eigen teksten a.d.h.v. inzichten over spelling en interpunctie na het krijgen van feedback
*verschillende spellingstrategieën flexibel toepassen
*hulpmiddelen voor spelling inzetten (bijvoorbeeld de schrijfwijze van woorden opzoeken of werken met een spellingcorrector)

Taalbeschouwing Nederlands.
-Met hulp van de leraar of met ondersteuning van een schema de doeltreffendheid van eigen taalgebruik en taalgebruik van anderen in betekenisvolle situaties onderzoeken aan de hand van de vragen van het communicatiemodel
-Bij het nadenken over de doeltreffendheid van taalgebruik volgende termen gebruiken:
*zender
*boodschap
*ontvanger
*bedoeling
*situatie
*dialect, standaardtaal
*moedertaal of thuistaal, vreemde taal
*Nederlands, Frans, Duits, Engels
-De doeltreffendheid van woorden of woordgroepen in het eigen taalgebruik in betekenisvolle situaties onderzoeken:
*gekende woorden en woordgroepen passend gebruiken
*op zoek gaan naar nieuwe woorden en woordgroepen die helpen om de boodschap doeltreffend over te brengen
-Woorden en woordgroepen die belangrijk zijn voor de betekenis van de tekst onderzoeken
-Verbanden tussen woordbetekenissen onderzoeken:
*woorden met verschillende betekenissen
*woorden die verwijzen naar hetzelfde voorwerp, kenmerk of dezelfde handeling, en daarbij de term ‘synoniem’ kennen en gebruiken
*woorden die verwijzen naar een tegengesteld voorwerp, kenmerk of tegengestelde handeling
*woorden die onderliggende of bovenliggende begrippen zijn
-Woordleerstrategieën inzetten met hulp van de leraar
*de betekenis afleiden uit de context
*woorden en woordstructuren analyseren
*betekenis onderhandelen met een medeleerling of leraar
*thuistaal inzetten
*de betekenis opzoeken
-Figuurlijk taalgebruik onderzoeken:
*woorden of woordgroepen die in de letterlijke of de figuurlijke betekenis gebruikt worden
*het gebruik en de betekenis van frequent gebruikte uitdrukkingen, en daarbij de term ‘uitdrukking’ kennen en gebruiken
-Klanken bespreken en vergelijken, daaruit besluiten trekken en deze toepassen in gevarieerde contexten (bijvoorbeeld in functie van werkwoordspelling, van expressief taalgebruik …)
-Klanken en klankcombinaties onderzoeken die voorkomen in de standaardtaal, in dialecten en in andere talen, en daarbij de term ‘uitspraak’ kennen en gebruiken
-De (op)bouw van woorden onderzoeken, en daarbij de termen ‘samenstelling’, ‘afleiding’, ‘voorvoegsel’ en ‘achtervoegsel’ kennen en gebruiken
-Zelfstandige naamwoorden onderzoeken:
*een zelfstandig naamwoord herkennen, en daarbij de term ‘zelfstandig naamwoord’ kennen en gebruiken
*een ‘unieke’ zelfstandigheid herkennen, en daarbij de term ‘eigennaam’ kennen en gebruiken
*meervoudsvorming van zelfstandig naamwoorden onderzoeken, en daarbij de termen ‘enkelvoud’ en ‘meervoud’ kennen en gebruiken
*het genus van zelfstandige naamwoorden onderzoeken in functie van de woorden die ernaar verwijzen, en daarbij de termen ‘mannelijk’, ‘vrouwelijk’ en ‘onzijdig’ kennen en gebruiken
-Lidwoorden onderzoeken:
*onderzoeken welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord past
*een lidwoord herkennen in een zin, en daarbij de term ‘lidwoord’ kennen en gebruiken
-Bijvoeglijke naamwoorden onderzoeken:
*bijvoeglijke naamwoorden herkennen, en daarbij de term ‘bijvoeglijk naamwoord’ kennen en gebruiken
*de plaats en het gebruik van een bijvoeglijk naamwoord in een woordgroep onderzoeken
*de vorming van de trappen van vergelijking onderzoeken
-Werkwoorden onderzoeken:
*inzien dat een werkwoord meestal een handeling, actie, toestand of gebeurtenis uitdrukt
*inzien dat een werkwoord verschillende vormen kan hebben en dat er een bepaalde regelmaat is in de vorming van werkwoorden
*een werkwoord herkennen en daarbij de term ‘werkwoord’ kennen en gebruiken
*de stam en de uitgang van een werkwoord herkennen, en daarbij de termen ‘stam’ en ‘uitgang’ kennen en gebruiken
-De persoonsvorm en infinitief onderzoeken:
*de infinitief van een werkwoord herkennen, en daarbij de term ‘infinitief’ kennen en gebruiken
*de vorm van een werkwoord onderzoeken die bepaald wordt door de overeenkomst in persoon en getal met het onderwerp, die vorm herkennen, en daarbij de termen ‘persoonsvorm’, ‘enkelvoud’ en ‘meervoud’ gebruiken
*de termen ‘persoon’, ‘1ste persoon’, ‘2de persoon’ en ‘3de persoon’ gebruiken
-De tijd van werkwoorden onderzoeken:
*de tijd van een werkwoord en het gebruik ervan onderzoeken
*aangeven of een werkwoord in de tegenwoordige of verleden tijd staat, en daarbij de termen ‘tijd’, ‘tegenwoordige tijd’ en ‘verleden tijd’ gebruiken
*het feit dat werkwoorden in de verleden tijd wel of niet van klank veranderen, onderzoeken
-Zinsdelen onderzoeken die zeggen
*over wie of waarover de zin gaat, wie iets doet, wie iets is of wordt
*wie iets doet, wie iets is of wordt
*wat iemand doet of wat ermee gebeurt (werkwoord(en))
*wat of hoe iemand is of wordt (werkwoord + ander woord)
*wat, aan wie of voor wie, wanneer, waar, hoe, waarmee, waardoor … iemand iets doet
*wanneer, waar, waarmee, waardoor … iemand iets is of wordt
-In functie van de werkwoordspelling de persoonsvorm in een zin herkennen door
*een ja-neevraag te stellen
*de overeenkomsten tussen onderwerp en persoonsvorm vast te stellen
*Daarbij de term ‘persoonsvorm’ kennen en gebruiken
-Weten dat een zinsdeel kan bestaan uit een woord of woordgroep, en daarbij de termen ‘woordgroep’ en ‘zinsdeel’ kennen en gebruiken
-Feiten en meningen bespreken en vergelijken, en daarbij de termen ‘feit’ en ‘mening’ kennen en gebruiken
-Signaalwoorden en verwijswoorden die belangrijk zijn om de boodschap beter te begrijpen, onderzoeken
-Niet-talige aspecten van structuur in de boodschap onderzoeken:
*alinea, en daarbij de term ‘alinea’ kennen en gebruiken
*lay-out van de tekst, en daarbij de term ‘lay-out’ kennen en gebruiken
*het gebruik van cursief en vetjes, en daarbij de termen ‘cursief’ en ‘vetjes’ kennen en gebruiken
-Alfabetische ordening inzetten bij betekenisvolle zoekopdrachten en bij eigen ordeningssystemen

ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Logisch en wiskundig denken.

-Gegevens wiskundig vertalen
-Typevraagstukken (met de vier basisbewerkingen) over gekende leerinhouden oplossen
-Typevraagstukken over schaal, gemiddelde, recht en omgekeerd evenredig, bruto-netto-tarra, mengsels, winst-verlies, prijsberekening, korting, verhoudingen, ongelijke verdeling, afstand en afstand-tijd-snelheid oplossen en deze begrippen aan de hand van betekenisvolle voorbeelden illustreren
-Typevraagstukken over één grootheid (lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, geldwaarden, temperatuur, hoekgrootte) oplossen
-Problemen zoals rekenraadsels, breinbrekers en andere wiskundige problemen met betrekking tot getallen, meten en meetkunde oplossen, oplossingen onderzoeken, vergelijken, bijsturen, beargumenteren, bespreken en daarbij daarbij wiskundige heuristieken ontdekken, kennen en gebruiken zoals
*veronderstellen
*proberen en controleren
*een tekening maken
*omgevingsmateriaal gebruiken
*naar analogie werken
*patronen zoeken in gegevens
*noodzakelijke en overbodige gegevens onderscheiden
*elimineren
*systematisch werken met tabellen en verhoudingstabellen
*systematisch werken met pijlenschema’s en de regel van drie
*systematisch lijsten opstellen
*strookmodel
*boomschema
*omgekeerd werken
*werken met eenvoudigere getallen
-Als-dan relaties toepassen
-De begrippen niet, en, of correct gebruiken
-Een algoritme toepassen om een specifieke taak op te lossen of een doel te bereiken zoals bij een bouwplan en een recept
-Een eenvoudig algoritme opstellen, toepassen, controleren en bijsturen om een specifieke taak op te lossen of een doel te bereiken zoals bij programmeren

Getallenkennis.
-Kommagetallen interpreteren en gebruiken als een uitbreiding van het getallenbereik in het tiendelig plaatswaardesysteem
-Kommagetallen met hoogstens drie decimalen lezen en schrijven en daarbij de termen en symbolen tiende (t), honderdste (h), duizendste(d), komma, kommagetal kennen en gebruiken
-Kommagetallen met hoogstens drie decimalen vergelijken, ordenen en op een getallenlijn plaatsen
-Kommagetallen (her)structureren zoals bv. 0,75 is 0,50 en 0,25

Rekenvaardigheid.
-Eenvoudige gelijknamige en ongelijknamige breuken optellen – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige kommagetallen optellen – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige gelijknamige en ongelijknamige breuken aftrekken – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige kommagetallen aftrekken – de oplossing wiskundig correct noteren
-Parate kennis onderhouden
-Eenvoudige vermenigvuldigingen uitvoeren naar analogie met de tafels en buiten de tafels door flexibel een functionele oplossingsweg te kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen zoals:
*splitsen en verdelen van een factor
*een factor schrijven als een product
*vermenigvuldigen met 10, 100, 1000, 10 000, 5, 50
*De oplossing hierbij wiskundig correct noteren
-Eenvoudige delingen uitvoeren naar analogie met de tafels en buiten de tafels door flexibel een functionele oplossingsweg te kiezen op basis van inzicht in de eigenschappen van bewerkingen en in de structuur van getallen zoals
*Splitsen en verdelen van het deeltal
*De deler schrijven als een product
*delen door 10, 100, 1000,10 000, 5, 50
*De oplossing daarbij wiskundig correct noteren
*Quotiënt en rest bepalen bij eenvoudige niet-opgaande delingen

Meten en metend rekenen.
-Rekenen met geld en gepast betalen op verschillende manieren in betekenisvolle situaties
-Referentiematen voor geldwaarden kennen en deze gebruiken om de waarde van een voorwerp te schatten
-De relatieve geldwaarde van voorwerpen ontdekken en toelichten aan de hand van betekenisvolle voorbeelden
-Reclame en aanbiedingen kritisch lezen en interpreteren
-Betekenisvolle herleidingen uitvoeren

MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische geletterdheid.

-De wisselwerking van beschouwen en creëren bewust ervaren tijdens het muzisch proces en hierover communiceren – bewust op zoek gaan naar (kunst)impressies om de eigen creatie te versterken, reflecteren over de wisselwerking tussen beschouwen en creëren

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Zintuiglijke ontwikkeling.

-De tijd nemen voor een volledige waarneming waarbij alle zintuigen spontaan gebruikt worden – vooraf nadenken over een waarnemingsstrategie – het waarnemingsgeheugen inzetten bij het zintuiglijk waarnemen van nieuwe ervaringen
-De waarnemingen opslaan, bewaren en er verslag over uitbrengen – zintuiglijke waarnemingen voorspellen op basis van eerder opgedane ervaringen

Grootmotorisch bewegen.
-Zich verplaatsen in het water op rug en buik met ofwel enkel armbewegingen of beenbewegingen ofwel een combinatie van beide
-Veilig zwemmen door het zich over een langere afstand te verplaatsen in het water en dit te combineren met verschillende vaardigheden zoals inspringen, afstoten en glijden, opduiken van materiaal, ter plaatse drijven, aquatisch ademen , roteren rond verschillende lichaamsassen, watertrappen, veranderen van zwemrichting en uit het water klimmen.
-Strategisch spelen en handelen binnen complementaire spelideeën met voor elk spelidee vooraf vastgelegde regels
-Doelbewust andere rollen opnemen dan die van uitvoerder
-Afgeleide vormen van sportspelen met een beperkt aantal spelers en tegenspelers spelen – bewust ervaren hoe sportspelen behoren tot de eigen en/of andermans cultuur
-Snelkracht ontwikkelen – duurinspanningen die aan een gelijkmatig tempo verlopen volhouden – het reactievermogen versterken – verhogen van de bewegingsfrequentie

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediawijsheid.

-De wereld van de media zonder vooroordelen tegemoet treden – ervaren dat ‘zin in media’ verschilt van persoon tot persoon – overal mediamogelijkheden zien en benutten
-Een kritische en reflecterende houding ontwikkelen ten opzichte van de eigen en andermans omgang met media en met de mediawereld – eigen criteria hanteren bij het beoordelen van eigen en andermans mediagebruik
-Ervaren hoe persoonlijke voorkeuren en ervaringen de beoordeling van mediagebruik mee bepalen – zich op basis van mediacontent een mening over iets vormen
-Kritisch omgaan met URL’s en informatie op het internet
-Ervaren en vaststellen hoe bepaalde mediacontent positieve en negatieve gevolgen kan hebben voor het eigen welzijn en dat van anderen – zich daarover uitdrukken – bij het ontwerpen van mediacontent rekening houden met de mogelijke gevolgen ervan voor zichzelf en anderen
-Ervaren en inzien dat er ook in de communicatie via media normen gelden en afspraken nodig zijn

Mediageletterdheid.
-Ervaren hoe snel mediamiddelen en hun toepassingen (in het bijzonder ICT) evolueren – de nieuwe mogelijkheden benutten – de eigenheid en de mogelijkheden van media(middelen) en hun combinaties illustreren
-Op een persoonlijke wijze complexere mediacontent via mediamiddelen voor een gevarieerd publiek overbrengen:
*onderwerpen uit de eigen leefwereld
*abstracte schoolse en zakelijke onderwerpen
*bekende of behandelde onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Steeds strategischer te werk gaan met hulp van de leraar:
*rekening houden met en inspelen op de doelgroep
*hulpbronnen inschakelen
*bij de voorbereiding gebruik maken van kijkwijzers of stappenplannen
*reflecteren op het proces van zenden en ontvangen
*…
-Steeds complexere mediacontent, afgestemd op interesse, (ruimere) leefwereld en verwerkingsniveau, verwerken.
-Verbanden leggen tussen de content uit meerdere media
*meerdere bronnen met elkaar vergelijken
*onderscheid maken tussen relevante en minder relevante informatie
*de informatie samenvatten en schematiseren en daarbij gebruik maken van media
*mediacontent selectief gebruiken
-Op voor hen bestemde mediacontent gepast reageren

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-De tijd nemen voor een volledige waarneming waarbij alle zintuigen spontaan gebruikt worden – vooraf nadenken over een waarnemingsstrategie – het waarnemingsgeheugen inzetten bij het zintuiglijk waarnemen van nieuwe ervaringen
-De waarnemingen opslaan, bewaren en er verslag over uitbrengen – zintuiglijke waarnemingen voorspellen op basis van eerder opgedane ervaringen
-Verinnerlijken van informatie en ervaringen door wat men in een bepaalde situatie heeft geleerd, in nieuwe en complexere situaties te herkennen en bewust toe te passen
-De eigen leerwinst juist inschatten met oog voor wat men (nieuw) heeft geleerd, over zichzelf heeft geleerd en over wat men verder nodig heeft
-Zich bewust worden van het eigen denken – het eigen denken uitdrukken in betekenisvolle en begrijpbare taal
-Wat men in een bepaalde situatie heeft geleerd, op een voldoende flexibele wijze aanwenden in nieuwe situaties toepassen (transfer leggen) – aangeleerde concepten inzetten bij analyse van nieuwe ervaringen en situaties

Onderzoekscompetentie.
-Door te onderzoeken en te ontwerpen nieuwe mogelijkheden ontdekken – willen experimenteren (vrij en gericht)
-Vanuit een onderzoeksvraag een experiment kunnen opzetten – nadenken over de weg en de middelen om te exploreren en te experimenteren – durven improviseren – met anderen communiceren over de opgedane ervaringen
-Gericht en systematisch informatie verzamelen – kritisch omspringen met informatiebronnen

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Identiteit.

-Ervaren hoe men vertrouwen kan herstellen
-Zich veilig en geborgen weten in verschillende groepen waartoe men behoort – zich deel voelen van een geheel en daar vertrouwen uit putten
-Reflecteren op eigen mogelijkheden en beperkingen en daaruit leren over zichzelf – over eigen mogelijkheden en beperkingen communiceren
-Nadenken over wie men wil en kan worden – ontdekken wat hen in hun groei beperkt en stimuleert
-Weerbaar omgaan met factoren die het zelfbeeld beïnvloeden – beïnvloeding door anderen herkennen en er weerbaar mee omgaan

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Zich samen verantwoordelijk voelen voor iets – gezamenlijke doelen bepalen en nastreven – groep vormen en blijven, ook bij eventuele strubbelingen – bij de samenwerking gedrag en taal op elkaar afstemmen
-Elkaars rol en taakbesef bespreken


(10-12jaar)

TAALONTWIKKELING
Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.

-Ontsleutelen van:
*frequent gebruikte vreemde woorden en leenwoorden
*frequent gebruikte woorden met hulptekens
*frequent gebruikte afkortingen
-Zinnen als een geheel lezen – leesgedrag afstemmen op alle leestekens en op de betekenis – teksten in een verantwoord tempo lezen
-Een voor hen bestemde tekst stil lezen – een voorbereide tekst expressief hardop lezen

Taalbeschouwing Nederlands.
-De leestekens uitroepteken, punt, vraagteken, komma en dubbele punt steeds efficiënter gebruiken, en daarbij de juiste termen gebruiken – het gebruik van andere leestekens onderzoeken, en daarbij de termen ‘leesteken’, ‘aanhalingsteken’ en ‘spatie’ kennen en gebruiken – leestekens gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten
-Hulptekens en uitspraaktekens onderzoeken bij frequent gebruikte woorden en deze tekens gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*het gebruik van hulptekens, en daarbij de termen ‘koppelteken’, ‘apostrof’ en ‘trema’ kennen en gebruiken
*het gebruik van het uitspraakteken accent, en daarbij de term ‘accent’ kennen en gebruiken
-Spelling van medeklinkers onderzoeken en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*meerlettergrepige woorden met verdubbeling van de medeklinker (bv. kristallen)
*moeilijke frequent gebruikte woorden (bv. gemiddeld)
*woorden op -heid en -teit (bv. waarheid)
*medeklinkers die anders worden uitgesproken (bv. centimeter)
*frequent gebruikte woorden met medeklinkers die niet worden uitgesproken maar wel worden geschreven (bv. gezamenlijk)
*medeklinkers in vreemde woorden (bv. casino)
-Spelling van klinkers onderzoeken en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*meerlettergrepige woorden met ongedekte klinker in open lettergrepen (bv. lawine)
*klinkers die anders worden uitgesproken (bv. ideaal)
*klinkeropeenvolgingen als -eum en -ium (bv. medium)
*woorden met u in -ueel (bv. individueel)
*klinkers en meertekenklanken in vreemde woorden (bv. bureau)
-Werkwoordspelling onderzoeken en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*persoonsvormen met hoorbare -t, -te, -de, -ten, -den en met stam op -t en -d: tegenwoordige tijd en verleden tijd
*werkwoordsvormen met hoorbare -t die geen persoonsvormen zijn
-Het gebruik van hoofdletters en kleine letters systematisch onderzoeken, hoofdletters gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*namen van feestdagen
*aardrijkskundige namen en afleidingen ervan
-Het gebruik van afkortingen onderzoeken, en daarbij de term ‘afkorting’ gebruiken – frequent gebruikte afkortingen gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten

Mondelinge taalvaardigheid Frans.
-Via modeling kennismaken met luisterstrategieën:
*verbinden met voorkennis
*het luisterdoel voor ogen houden
*hypotheses vormen over de inhoud van de boodschap
*aandacht krijgen voor de intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*rekening houden met omgevingsgeluiden
*gebruik maken van (audio)visuele ondersteuning
*zich blijven concentreren
-Inzetten van luisterstrategieën op initiatief van en met de hulp van de leraar:
*verbinden met voorkennis
*het luisterdoel voor ogen houden
*hypotheses vormen over de inhoud van de boodschap
*aandacht krijgen voor de intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*rekening houden met omgevingsgeluiden
*gebruik maken van (audio)visuele ondersteuning
*zich blijven concentreren
-Steeds autonomer luisterstrategieën inzetten.
*verbinden met voorkennis
*het luisterdoel voor ogen houden
*hypotheses vormen over de inhoud van de boodschap
*aandacht krijgen voor de intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*rekening houden met omgevingsgeluiden
*gebruik maken van (audio)visuele ondersteuning
*zich blijven concentreren
-Bij het luisteren de nodige functionele kennis inzetten die zinvol is in die context, waaronder
*woorden en woordcombinaties uit woordvelden die aansluiten bij hun leefwereld, zoals: persoonlijke gegevens , relatie tot de anderen , dagelijks leven , eten en drinken , tijd, ruimte, natuur , het weer
*het begrijpen van eenvoudige zinnen waarin de meest courante woordsoorten in de juiste grammaticale vorm worden gebruikt en tot zinvolle gehelen worden samengebracht: zelfstandig naamwoord (genus, getal, overeenkomst), lidwoorden, bijvoeglijk gebruikte woorden (bijvoeglijke naamwoorden, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden), persoonlijk voornaamwoord, infinitieven, werkwoordsvormen in functie van communicatie in de tegenwoordige tijd, futur proche en zeer frequente vormen van de passé composé
-Een boodschap met bepaalde tekstkenmerken begrijpen en de boodschap nazeggen
-Een boodschap met bepaalde tekstkenmerken begrijpen – uit de beluisterde of gelezen boodschap gegevens letterlijk selecteren en navertellen
-Via modeling in het Frans kennismaken met spreekstrategieën:
*voorkennis gebruiken
*het spreekdoel voor ogen houden
*gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal
*gebruik maken van ondersteunend visueel materiaal (prenten, presentatie, spreekkader , schema, sleutelwoorden …)
*zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen zeggen wat ze willen
-Inzetten van spreekstrategieën op initiatief van en met de hulp van de leraar:
*voorkennis gebruiken
-Luisteren naar de gesprekspartner/naar anderen die deelnemen aan een gesprek met bepaalde tekstkenmerken – een ingeoefende dialoog creatief aanpassen
-Luisteren naar de gesprekspartner/naar anderen die deelnemen aan een gesprek met bepaalde tekstkenmerken – kort reageren non-verbaal of verbaal op iets wat een ander inbrengt in het gesprek
-Zelf nieuwe elementen (een vraag, een antwoord, een idee, een mening, een bevestiging, een ontkenning …) aanbrengen in een gesprek
-Via modeling in het Frans kennismaken met gespreksstrategieën:
*het doel van de interactie voor ogen houden
*aandacht hebben voor intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*aangeven dat ze iets niet begrepen hebben
*vragen om langzamer te spreken of te herhalen
*zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen begrijpen of zeggen wat ze willen
-Inzetten van gespreksstrategieën op initiatief van en met de hulp van de leraar:
*het doel van de interactie voor ogen houden
*aandacht hebben voor intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*aangeven dat ze iets niet begrepen hebben
*vragen om langzamer te spreken of te herhalen
*zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen begrijpen of zeggen wat ze willen
-Steeds autonomer gespreksstrategieën inzetten:
*het doel van de interactie voor ogen houden
*aandacht hebben voor intonatie, het spreekritme en de lichaamstaal van de spreker
*gebruik maken van ondersteunende lichaamstaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*aangeven dat ze iets niet begrepen hebben
*vragen om langzamer te spreken of te herhalen
*zich blijven concentreren ondanks het feit dat ze niet alles kunnen begrijpen of zeggen wat ze willen
-Rekening houden met gespreksconventies en beleefdheidsvormen: groeten, hoorbaar spreken, verbaal en non-verbaal op elkaar inspelen, tu-vorm versus vous-vorm, afscheid nemen
-Bij het voeren van gesprekken de nodige functionele kennis inzetten die zinvol is in die context, waaronder
*woorden en woordcombinaties uit woordvelden die aansluiten bij hun leefwereld, zoals: persoonlijke gegevens , relatie tot de anderen , dagelijks leven , eten en drinken , tijd, ruimte, natuur , het weer
*het begrijpen van eenvoudige zinnen waarin de meest courante woordsoorten in de juiste grammaticale vorm worden gebruikt en tot zinvolle gehelen worden samengebracht: zelfstandig naamwoord (genus, getal, overeenkomst), lidwoorden, bijvoeglijk gebruikte woorden (bijvoeglijke naamwoorden, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden), persoonlijk voornaamwoord, infinitieven, werkwoordsvormen in functie van communicatie in de tegenwoordige tijd, futur proche en zeer frequente vormen van de passé composé

Schriftelijke taalvaardigheid Frans.
-Via modeling kennismaken met leesstrategieën:
*het leesdoel voor ogen houden
*hypothesen vormen over de inhoud van de boodschap
*verbinden met voorkennis
*relaties leggen tussen de tekst en het aangeboden ondersteunend visueel materiaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*herlezen wat onduidelijk is
*woordenlijst of woordenboek raadplegen
-Inzetten van leesstrategieën op initiatief van en met de hulp van de leraar:
*het leesdoel voor ogen houden
*hypothesen vormen over de inhoud van de boodschap
*verbinden met voorkennis
*relaties leggen tussen de tekst en het aangeboden ondersteunend visueel materiaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*herlezen wat onduidelijk is
*woordenlijst of woordenboek raadplegen
-Steeds autonomer leesstrategieën inzetten:
*het leesdoel voor ogen houden
*hypothesen vormen over de inhoud van de boodschap
*verbinden met voorkennis
*relaties leggen tussen de tekst en het aangeboden ondersteunend visueel materiaal
*aandacht hebben voor transparante woorden
*vermoedelijke betekenis van woorden afleiden uit de context
*herlezen wat onduidelijk is
*woordenlijst of woordenboek raadplegen
-Bij het lezen de nodige functionele kennis inzetten die zinvol is in die context, waaronder:
*woorden en woordcombinaties uit woordvelden die aansluiten bij hun leefwereld, zoals: persoonlijke gegevens , relatie tot de anderen , dagelijks leven , eten en drinken , tijd, ruimte, natuur , het weer
*het begrijpen van eenvoudige zinnen waarin de meest courante woordsoorten in de juiste grammaticale vorm worden gebruikt en tot zinvolle gehelen worden samengebracht: zelfstandig naamwoord (genus, getal, overeenkomst), lidwoorden, bijvoeglijk gebruikte woorden (bijvoeglijke naamwoorden, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden), persoonlijk voornaamwoord, infinitieven, werkwoordsvormen in functie van communicatie in de tegenwoordige tijd, futur proche en zeer frequente vormen van de passé composé
-De boodschap met bepaalde tekstkenmerken begrijpen en uit de gegeven tekst woorden/woordgroepen/zinnen selecteren die ze nodig hebben
-Via modeling kennismaken met schrijfstrategieën:
*het schrijfdoel voor ogen houden
*voorkennis inzetten
*ondersteunende materialen zoals voorbeelden of modellen gebruiken
*het eigen werk nalezen en verbeteren met behulp van (digitale) hulpmiddelen zoals woordenlijsten of woordenboek, een klasgenoot, een volwassene …
-Inzetten van schrijfstrategieën op initiatief van en met de hulp van de leraar:
*het schrijfdoel voor ogen houden
*voorkennis inzetten
*ondersteunende materialen zoals voorbeelden of modellen gebruiken
*het eigen werk nalezen en verbeteren met behulp van (digitale) hulpmiddelen zoals woordenlijsten of woordenboek, een klasgenoot, een volwassene …
-Steeds autonomer schrijfstrategieën inzetten:
*het schrijfdoel voor ogen houden
*voorkennis inzetten
*ondersteunende materialen zoals voorbeelden of modellen gebruiken
*het eigen werk nalezen en verbeteren met behulp van (digitale) hulpmiddelen zoals woordenlijsten of woordenboek, een klasgenoot, een volwassene …
-Bij het schrijven de nodige functionele kennis inzetten die zinvol is in die context, waaronder
*woorden en woordcombinaties uit woordvelden die aansluiten bij hun leefwereld, zoals: persoonlijke gegevens , relatie tot de anderen , dagelijks leven , eten en drinken , tijd, ruimte, natuur , het weer
*het vormen van eenvoudige zinnen waarin de meest courante woordsoorten in de juiste grammaticale vorm worden gebruikt en tot zinvolle gehelen worden samengebracht: zelfstandig naamwoord (genus, getal, overeenkomst), lidwoorden, bijvoeglijk gebruikte woorden (bijvoeglijke naamwoorden, bezittelijke en aanwijzende voornaamwoorden), persoonlijk voornaamwoord, infinitieven, werkwoordsvormen in functie van communicatie in de tegenwoordige tijd, futur proche en zeer frequente vormen van de passé composé
-Rekening houden met beleefdheidsconventies, bijvoorbeeld bij een mail: de aanspreking, afscheid

ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.

-De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100 000 000
-Inzicht verwerven in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel en daarbij de termen en symbolen ‘eenheid’ (E), ’tiental’ (T), ‘honderdtal’ (H), ‘duizendtal’ (D), ’tienduizendtal’ (TD), ‘honderdduizendtal’ (HD), ‘miljoental’ (M), ‘natuurlijk getal’ kennen en gebruiken
-Eenvoudige natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 100 000 000
-Het begrip miljard ontdekken en toepassen in betekenisvolle situaties
-Natuurlijke getallen tot 100 000 000 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
-De delers van een natuurlijk getal ( ≤ 100), de gemeenschappelijke deler(s) van twee natuurlijke getallen ( ≤ 100) en de grootste gemeenschappelijke deler van twee natuurlijke getallen ( ≤ 100) vinden, en daarbij de begrippen ‘gemeenschappelijke deler(s)’ en ‘grootste gemeenschappelijke deler’ kennen en gebruiken
-Enkele veelvouden (verschillend van nul) van een natuurlijk getal ( ≤ 100), enkele gemeenschappelijke veelvouden van twee natuurlijke getallen ( ≤ 100) en het kleinste gemeenschappelijke veelvoud van twee natuurlijke getallen ( ≤ 100) vinden, en daarbij de begrippen ‘veelvoud’, ‘gemeenschappelijk(e) veelvoud(en)’ en ‘kleinste gemeenschappelijk veelvoud’ kennen en gebruiken
-De kenmerken van deelbaarheid door 2, 4, 5, 10, 100, 1 000 kennen en gebruiken
-De kenmerken van deelbaarheid door 3 en 9 kennen en gebruiken
-Ontdekken en verwoorden dat er doorheen de geschiedenis en in diverse culturen ook andere wiskundige systemen met betrekking tot getallen mogelijk zijn
-Getallen lezen in het Romeinse talstelsel
-Eenvoudige breuken gelijknamig maken , in functie van het optellen en aftrekken van breuken of in functie van het ordenen en het vergelijken van breuken – breuken gelijknamig maken en op een getallenlijn plaatsen en daarbij de term ‘gelijknamige breuk’ kennen en gebruiken
-Breuken lezen, schrijven en berekenen als een verhouding, onder meer als aanduiding voor een kans en daarbij de term verhouding en kans kennen en gebruiken
-Een procent interpreteren en gebruiken:
*als een deel van een hoeveelheid
*als een verhouding
en daarbij de term procent kennen en gebruiken
-Eenvoudige procenten lezen, schrijven, op een getallenlijn plaatsen en berekenen en het symbool % lezen en gebruiken
-De gelijkwaardigheid van breuken, kommagetallen en procenten onderzoeken en vaststellen in betekenisvolle situaties – omzettingen maken in betekenisvolle situaties
-Flexibel afronden

Rekenvaardigheid.
-Afhankelijk van de context, de aard en de grootte van de getallen en de eigen voorkeur de meest geschikte rekenwijze kiezen uit schatten, hoofdrekenen, rekenmachine of cijferen
-Flexibel schatten om de uitkomst van een berekening bij benadering te bepalen
-De volgende toetsen correct gebruiken: aan/uit, cijfertoetsen, + – x : =
*om natuurlijke getallen en kommagetallen in te tikken
*om bewerkingen met natuurlijke getallen en kommagetallen uit te voeren
-De rekenmachine gebruiken als controlemiddel bij bewerkingen
-Bij complexere situaties of samengestelde bewerkingen het gebruik van de rekenmachine combineren met het overzichtelijk noteren en/of rekenen op papier
-De rekenmachine gebruiken om:
*procenten te berekenen met de procenttoets
*in betekenisvolle situaties in één beweging grootheden zoals winst, verlies, korting te berekenen
*meer inzicht te verwerven in de structuur van getallen, in de eigenschappen van de bewerkingen en in de relaties tussen procenten, kommagetallen en breuken
-Eenvoudige breuken vermenigvuldigen met een natuurlijk getal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Een eenvoudig kommagetal vermenigvuldigen met een natuurlijk getal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Een eenvoudig kommagetal vermenigvuldigen met een ander eenvoudig kommagetal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige breuken delen door een natuurlijk getal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige kommagetallen delen door een natuurlijk getal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Eenvoudige kommagetallen delen door een eenvoudig kommagetal – de oplossing wiskundig correct noteren
-Weten dat er afspraken zijn over de volgorde van bewerkingen en deze afspraken toepassen met hulpmiddel

Meetkunde.
-De eigenschappen van de hoeken en de zijden van vierhoeken onderzoeken, kennen en gebruiken om vierhoeken te benoemen als vierkant, rechthoek, ruit, parallellogram, trapezium
-Regelmatige veelhoeken herkennen en benoemen
-De eigenschappen van de hoeken en de zijden van vierhoeken gebruiken om vierhoeken te vergelijken en te tekenen
-Vierhoeken classificeren – driehoeken classificeren
-Onderzoeken van ruimtefiguren en op basis van hun eigenschappen de volgende ruimtefiguren herkennen en benoemen: veelvlak, kubus, balk, piramide, niet-veelvlak, bol, cilinder, kegel
-Onderzoeken en vaststellen van een ontvouwing (ontwikkeling) van een kubus en een balk
-Onderzoeken en vaststellen van spiegelbeelden in de omgeving en in vlakke figuren door te meten en daarbij de termen spiegelbeeld, spiegeling en spiegel(as) kennen en gebruiken
-Onderzoeken en vaststellen van symmetrie en asymmetrie in vlakke figuren en symmetrie ontdekken als resultaat van een spiegeling
-Onderzoeken en vaststellen van symmetrieassen en daarbij de termen symmetrie, symmetrisch en symmetrieas kennen en gebruiken
-Eenvoudige symmetrische figuren tekenen op geruit papier
-Spiegelbeelden van eenvoudige figuren tekenen op geruit papier
-Onderzoeken en vaststellen van gelijkvormigheid in de omgeving en in vlakke figuren en daarbij de termen gelijkheid en gelijkvormigheid kennen en gebruiken
-Eenvoudige gelijkvormige figuren tekenen op geruit papier

Meten en metend rekenen.
-Onderzoeken en vaststellen dat het gewicht van dingen niet enkel bepaald wordt door het volume
-Het verband tussen inhoudsmaten, ruimtematen en gewicht onderzoeken en vaststellen zoals bv. 1 liter water heeft een volume van 1dm³ en weegt 1 kg
-Onderzoeken en vaststellen dat inhouds(volume)bepaling afhankelijk is van drie dimensies
-Weten en illustreren vanuit concreet handelen dat het resultaat van een volumemeting uitgedrukt kan worden in kubieke meter of daarvan afgeleide maateenheden en daarbij de term volume kennen en gebruiken
-De maateenheden kubieke meter, kubieke decimeter, kubieke centimeter en de symbolen (m³, dm³, cm³ of cc) kennen, lezen en gebruiken – de onderlinge verhouding kennen
-Referentiematen voor volume kennen en gebruiken bij het schatten
-Betekenisvolle herleidingen tussen volumematen uitvoeren
-Onderzoeken van de basisformule voor de berekening van het volume van een kubus en een balk en daarbij deze formule kennen en gebruiken
-Het verband tussen inhoudsmaten en volumematen inzien, illustreren en toepassen zoals tussen liter en kubieke decimeter, tussen milliliter en kubieke centimeter
-Onderzoeken en vaststellen hoe ruimtefiguren met een verschillende vorm hetzelfde volume kunnen hebben
-Onderzoeken en vaststellen dat zelfde volumes een verschillend gewicht kunnen hebben
-De waarde van π actief ontdekken als de constante verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel en de formule voor de omtrek van een cirkel ontdekken en gebruiken
-Weten en illustreren vanuit concreet handelen dat oppervlaktebepaling afhankelijk is van twee dimensies
-Weten en illustreren vanuit concreet handelen dat het resultaat van oppervlaktemeting uitgedrukt kan worden in vierkante meter of daarvan afgeleide maateenheden en daarbij de term ‘oppervlakte’ kennen en gebruiken
-De maateenheden vierkante meter, vierkante decimeter, vierkante centimeter, vierkante kilometer en de symbolen (m², dm², cm², km²) kennen, lezen en gebruiken – de onderlinge verhouding kennen
-Referentiematen voor oppervlakte ontdekken, kennen en gebruiken bij het schatten
-De oppervlakte van figuren schatten en bepalen, het meetresultaat vergelijken met de schatting en correct noteren (met één maateenheid, met meer dan één maateenheid, als kommagetal met één maateenheid)
-Betekenisvolle herleidingen uitvoeren tussen oppervlaktematen
-De basisformules voor de oppervlakteberekening van een rechthoek en een vierkant ontdekken, kennen en gebruiken
-De formules voor de oppervlakte van een parallellogram en een driehoek ontdekken, kennen en gebruiken
-Ervaren, inzien en illustreren dat de oppervlakte van een veelhoek bepaald kan worden door die om te structureren naar figuren waarvan men de oppervlakte kan berekenen
-Tijdsduur berekenen in uren en/of minuten en/of seconden
-De koppeling van analogie en digitale kloktijden gebruiken in betekenisvolle situaties
-Op een uurrooster digitale kloktijden interpreteren en verwoorden zoals “De trein vertrekt om 16 uur en 10”
-Rekenen met tijd in relatie tot snelheid vanuit betekenisvolle situaties
-Weten en illustreren dat het resultaat van de meting van de hoekgrootte kan worden uitgedrukt in graden en daarbij de termen hoekgrootte, hoek, stomp, scherp, recht kennen en gebruiken
-Het symbool voor graad (°) lezen en noteren
-Weten en illustreren dat een rechte hoek 90 graden meet, een scherpe hoek kleiner is dan 90 graden en een stompe hoek groter is dan 90 graden
-90 graden als referentiemaat voor hoekgrootte kennen en deze gebruiken om een hoekgrootte te schatten
-Met een geodriehoek hoeken meten en het resultaat van de meting uitdrukken en noteren in graden
-Met een geodriehoek hoeken tekenen tot op 1 graad nauwkeurig

MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische grondhouding.

-Het kunstzinnige in de wereld bewust opzoeken en zonder vooroordelen benaderen – geïnteresseerd zijn in kunst en erdoor geraakt kunnen worden – beseffen dat de beleving van kunst persoons- en context gebonden is en daar respectvol mee omgaan
-Plezier blijven beleven aan het verbeelden in diverse contexten – ongewone verbanden durven zien en leggen, durven fantasievol improviseren en vormgeven
-Zich bewust zijn van de eigen interesses, creatieve mogelijkheden en beperkingen binnen de verschillende domeinen en verdere ontwikkelkansen aangeven – elkaar ondersteunen vanuit het eigen muzisch talent en hierover communiceren – het eigen muzisch talent tonen aan anderen in diverse contexten (solo, groep), initiatief nemen om de eigen talent tot zijn recht te laten komen
-Vanuit het eigen muzisch aanvoelen praten over de wijze waarop men zich uitdrukt in beeld, muziek, dans en drama – de persoonlijke expressiestijl verder ontwikkelen
-Speels en verwonderd blijven kijken naar muzische impulsen uit de brede omgeving – eigen muzische acties durven bedenken en uitvoeren in gevarieerde contexten
-Zich inleven en actief interesse tonen in de leef- en gevoelswereld van de uitvoerder (kunstenaar, andere leerling) – bewust rekening houden met mogelijke, verschillende reacties

Muzische geletterdheid.
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*silhouet
*weerkaatsing
*eigen schaduw en (slag)schaduw
*het lichtspel in een werk
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van ruimtelijke relaties:
*op het voorplan meer details, fellere kleuren, duidelijker vormen
*perspectief: standpunt, kikvorsperspectief, vogelperspectief
*ruimte innemen, ruimte omvatten en ruimte doorsteken
*interieur – exterieur
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*verschillende lijnsoorten in eigen werk
*punt- en lijnstructuren (ritme, patroon, arcering …) om een gevoelswaarde op te roepen
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*de gevoelswaarde van een vorm
*vormen met een symboolwaarde
*vormcontrasten
*samengestelde driedimensionale vormen
*karakteristieke houdingen van mensen en dieren
*stileren en abstracte vormgeving
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*ordening van kleuren in de kleurencirkel
*kleur begrippen: primaire, secundaire en tertiaire kleuren
*kleurtonen en kleurwaarde (met wit/zwart)
*kleurharmonie (door tegenstelling, gelijkheid …)
*de symboolwaarde van een kleur
*kleur en sfeer
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*verschillende texturen in eigen werk
*gevoelswaarde van textuur aanbrengen
*textuur om diepte te geven op het platte vlak
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*compositie in een vlak
*compositie in de ruimte
*ordening, opbouw, evenwicht
*betekenis
-Kennismaken met vormgevingsprincipes: focuspunt, ritme, evenwicht, eenheid, beweging, herhaling en contrast
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*klankeigenschappen: details en nuances binnen eenzelfde geluidsomgeving, klankkleur van instrumenten binnen eenzelfde instrumentenfamilie, klankkleur van nieuwe en minder bekende instrumenten, verscheidenheid door speeltechnieken en stemgebruik, stemtessituur: tenor – bas, sopraan – alt …
*nuances van muzikale tegenstellingen: emoties in klank en muziek, eenstemmigheid – meerstemmigheid, culturele verschillen en gelijkenissen, verhouding van verschillende klankbronnen
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*opeenvolgingen en combinaties van meerdere eenvoudige ritmes
*de visuele weergave van ritmes
*een ritmisch motief met kwart, halve en achtste noten
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*verschillende melodische eenheden (motieven)
*twee of drie afwisselende of door elkaar lopende melodielijnen
*een grafische notatie van een eenvoudig melodieverloop
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bepalen van:
*tempo, tempoverschillen en tempowisselingen in een muziekstuk
*basisbegrippen voor tempo en voor wat het oproept
*aangegeven tempo en tempowisselingen bij een lied of klankstuk
*tempovariaties in een zelfontworpen klankstuk
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bepalen van:
*de dynamiek in een muziekstuk
*dynamische accenten bij het zingen van een lied en het bespelen van een instrument
*grafische tekens om de dynamiek in een (eigen) compositie te interpreteren en weer te geven
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken/bepalen van:
*herhaling, variatie en contrast in een muziekfragment
*canon, echo en ostinaat
*een structuur in een eigen compositie
*eenvoudige structuren in grafische partituren
*de grafische weergave van een structuur van een eigen werk
*herhalingen en contrast in muzikale vormen: ABA en rondo
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*eenstemmige liederen en canons met begeleiding
*de verschillende partijen in een muziekstuk
*de eigen partij in een grafische notatie met meerdere stemmen
*samenklank in een eigen compositie
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*duur en tempo in bewegingen
*cadans
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*variaties op bewegingszinnen
*een choreografie (dmv herhaling, variatie, contrast)
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*kracht (spierspanning, gewicht en energie) in een beweging
*variaties in bewegingsenergie tijdens een dansstuk
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*variaties in vormen en grootte van de beweging
*de gevoelswaarde van een vorm
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*variatie in het gebruik van vloerpatronen en richtingen
*de opstelling van dansers in een ruimte
*variatie in het gebruik van ruimtelagen tijdens de dans
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*contrasten en variaties maken op bewegingen van anderen
*bewegingen die in interactie gaan met bewegingen van anderen via leiden en volgen, vraag en antwoord, actie en reactie …
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*een geloofwaardige inleving en reactie op verschillende situaties (verbaal, non-verbaal)
*het verzinnen van personages door stil te staan bij de psychologische en fysieke kenmerken
*motieven en gevoelens
*rolvastheid in taal en beweging
*oogcontact met het publiek
*het pakken van de aandacht van het publiek
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*verfijnde handelingen door nuances te leggen in het uitbeelden
*het verzinnen van handelingen bij personages, ruimtes en situaties
*de functie van een handeling uit een scène
*het gebruik van verschillende taalregisters aan die aansluiten bij de spelsituatie
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*een dramatisch conflict vanuit een situatie
*de structuur van een verhaal met een begin, verloop en einde waarin dramatische spanning aanwezig is
*het bedenken van scenario waarin plaats is voor verschillende spelers
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*de suggestie van de verbeelde tijd
*eenzelfde scène in een andere tijdsbeleving
*wat tijdsbeleving met een publiek doet
*timing in een dialoog of scène
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*de ruimte en de ruimteverdeling op een scène
*mise-en-scène
*het open spelen voor een publiek
*het ontwerpen van een functioneel en gestileerd decor
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en gericht toepassen van:
*het geloofwaardig in interactie gaan met verschillende personages
*het positief inspelen op ideeën, spelsuggesties van andere spelers
*het aanbieden van spelsuggesties waarmee het samenspel gestimuleerd wordt
*het innemen van een rol die het geheel (van de voorstelling) ten goede komt
-Een eigen interpretatie geven aan een kunstwerk en die vergelijken met anderen. Actief de betekenis (symboliek, boodschap, beeldspraak) van kunstwerken onderzoeken en die verbinden met de context – in de eigen expressie een boodschap, beeldspraak of symbool verwerken en over die betekenisgeving communiceren en filosoferen
-Actief participeren aan een divers aanbod kunst- en cultuur en er in interactie mee gaan – beseffen wat de waarde en functie van kunst en cultuur is in de maatschappij – cultuurervaringen betekenisvol verwerken en reflecteren over de eigen kunst- en cultuurbeleving – de eigen culturele bagage verrijken en aanspreken in verschillende kunstdomeinen, met aandacht voor cultureel erfgoed
-(Combinaties van) werkvormen en vormgevingsmiddelen in de verschillende muzische domeinen analyseren en inzetten om zich creatief te uiten
-Aanwezige talenten en kwaliteiten complementair inzetten, richting (regie) kunnen geven en volgen in functie van een gemeenschappelijk muzisch doel en daarbij verbondenheid creëren

Muzische vaardigheid.
-Waarnemingsvermogen actief en spontaan inzetten, (kunst)werken grondig waarnemen met oog voor specifieke details en bijzonderheden, strategieën aanwenden om het waarnemingsvermogen te versterken – voorkennis en ervaring gebruiken om nieuwe impressies grondig te analyseren, de opgedane beschouwing (bouwsteen, werkvorm, vormgevingsmiddelen) op een genuanceerde wijze verwoorden
-Zelfstandig een beeldspel spelen en variaties bedenken – anderen aanzetten tot het spelen met materialen
-De techniek van het tekenen met verschillende materialen verfijnen
-Schildertechniek met kwast en penseel verfijnen – iets complexere druktechnieken verkennen
-Verkennen en onderzoeken van (complexere) constructie- en verbindingstechnieken met (nieuwe) materialen bij collages, assemblages en constructies in 2D en 3D verfijnd gebruik maken van verschillende materialen – verkennen van ruimtelijk werken met steen (beeldhouwen, werken met mozaïek, gipssnede) – verder verkennen van textiel maken en toegepast vormgeven (oa. kostuums maken) – verkennen van (complexere/nieuwe) textielbewerkingstechnieken
-Zelfstandig een muziekspel spelen en variaties bedenken – anderen aanzetten tot het spelen met stem, geluid, instrumenten, materialen
-Zingen met een aangepast stembereik (la’ – fa’’), met aandacht voor ademhaling, articulatie, dynamische verschillen, zuiverheid en voordracht – onder begeleiding experimenteren met eenstemmige en meerstemmige liederen (canons) – oefenen op liedjes met complexere vorm/structuur
-De verschillende bespeelmogelijkheden en klankkleuren van instrumenten benutten – muziekstukken met instrumenten en materialen uitvoeren – met ondersteuning een eenvoudig voor- en naspel en begeleiding uitvoeren bij een lied
-Oefenen op het uitvoeren en ontwerpen van complexere grafische partituren – kennismaken met de basisprincipes van de klassieke muzieknotatie (kwart, halve en hele noten en de daarbij behorende rusten, meerstemmigheid …)
-Experimenteren met eigen teksten op een bestaande melodie of op een eigen (eenvoudige) melodielijn – muziekstukken componeren met een duidelijke structuur en opbouw
-Experimenteren met bewegingen vanuit een combinatie van muziekbouwstenen – zelfstandig een bewegingsstuk maken op basis van een muziekstuk
-Verfijnen van bewegingsmogelijkheden van het lichaam – bewegingswoorden en bewegingskwaliteiten uit een thema halen en die gebruiken in dans – een variatie aan bewegingen improviseren die aansluiten bij een thema of verhaal – in groep een bewegingsstuk opbouwen met eigen bewegingen die aansluiten bij een thema of verhaal
-Zelfstandig een dansspel spelen en variaties bedenken – anderen aanzetten tot het spelen met bewegingen.
-Nauwkeurig een complexere dansopstelling en beginhouding innemen – op het juiste moment de aangeleerde passen en dansfiguren uitvoeren – leiden en volgen in tweetallen of kleine groepen
-In groep(en) een complexere bewegingsreeks ontwerpen – variëren op bestaande bewegingen en die integreren in een dansstuk – een eigen grafische notatie verzinnen en die in een danspartituur weergeven – samen een gevarieerde dansvoorstelling ontwerpen en structureren
-Zelfstandig een dramaspel spelen en variaties bedenken – anderen aanzetten tot het spelen met stem, mimiek, het lichaam en attributen
-Verfijnen van een aantal basisbewegingen met poppen, figuren (schim, masker) en objecten – verfijnen van aangepast stem- en lichaamsgebruik – combineren van attributen, poppen, figuren en objecten van de scène
-Variëren in stem- en lichaamsgebruik, dit verfijnen – experimenteren met het geven van eenvoudige regieaanwijzingen aan andere kinderen – afspraken maken in de scène (wie -wat -waar – wanneer – waarom) – oefenen in het creatief spelen met tekst tijdens het improviseren (met andere kinderen) – bewust de sfeer van poëzie versterken met passend stem- en lichaamsgebruik
-Verzinnen van situaties en personages die anderen uitbeelden – verfijnen van een non-verbale scène door expressief gebruik te maken van het lichaam en mimiek

MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Omgaan met bewegingsruimte en -tijd.

-De eigen bewegingen en bewegingsrichtingen vlot aanpassen in steeds complexere bewegingssituaties zoals in spelvormen en in het verkeer

ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de samenleving.

-In betekenisvolle contexten herkennen, illustreren en vergelijken:
*doelen die groepen nastreven (religieuze, etnische, economische, ecologische … )
*waarden en normen van specifieke groepen
-De erkende symbolen van de Vlaamse Gemeenschap kennen: feestdag, wapen, vlag, volkslied en memoriaal
-Onderzoeken en illustreren hoe tegengestelde groepsbelangen en onbekendheid of vrees voor het vreemde vaak de oorzaak zijn van onverdraagzaamheid, vooroordelen, racisme en oorlog
-Onderzoeken en illustreren:
*hoe verschillende vormen van arbeid verschillend toegankelijk zijn voor mannen en vrouwen en ook verschillend gewaardeerd worden
*hoe in onze samenleving mensen opkomen voor gelijke waardering van en toegang tot diverse beroepen
*wat de gevolgen zijn van productie in lageloonlanden
-Respectvol omgaan met beroepsgroepen die in de samenleving te weinig waardering krijgen – weten dat er moderne vormen van slavernij bestaan en dat mensen uit sociaal zwakkere milieus vaak ongezonde en minder betaalde jobs doen
-Het onderscheid tussen werkgever, werknemer en zelfstandige illustreren – de arbeidsomstandigheden van verschillende beroepen vergelijken (werktijden, werkplaats, verloning…) – in interactie gaan over oorzaken en gevolgen van werkloosheid
-Ervaren en illustreren hoe mensen veel energie stoppen in en halen uit vrijetijdsbestedingen
-Ervaren, onderzoeken en illustreren:
*wat winst en verlies inhouden
*hoe de prijs van een product tot stand komt
*hoe koopgedrag beïnvloed wordt door reclame
-Kritisch nadenken over het beheer en de besteding van zakgeld
-Vaststellen en uitdrukken:
*welke landen eigen munten hebben en dat men in Europa streeft naar een eenheidsmunt
*hoe mensen naast geld ook alternatieve ruilmiddelen gebruiken (lets, bitcoin …)
*hoe mensen ook belangeloos bijdragen aan het welzijn van anderen
-Vaststellen en verwoorden:
*hoe producenten afhankelijk zijn van de toevoer van grondstoffen
*dat ons land weinig grondstoffen bezit en dus sterk afhankelijk is van invoer uit andere landen
*hoe producenten en consumenten afhankelijk zijn van transport van goederen en diensten
-Kenmerken van duurzaam ondernemen exploreren – inschatten op welke manier ondernemingen duurzaam ondernemen – duurzame producten kennen en herkennen aan de symbolen die naar een duurzame productie verwijzen: (recycleerbaar, fair trade, bio, eco, streekproduct …)
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen en uitdrukken hoe welvaart ongelijk verdeeld is in de eigen omgeving, in België en in verschillende landen in de wereld – het onderscheid tussen welzijn en welvaart exploreren en illustreren – illustreren hoe mensen op verschillende manieren welvaart of bezit verwerven – herkennen van oneerlijke vormen van verwerven van welvaart – respect tonen voor mensen die op een eerlijke wijze welvaart verwerven
-Onderzoeken en illustreren hoe arbeidsmigratie en vluchtelingenstromen een rol spelen bij de ontwikkeling van onze multiculturele samenleving
-Ervaren, onderzoeken en vaststellen hoe verenigingen en instellingen kunnen bijdragen aan een betere samenleving en daarover met elkaar in interactie gaan – het nut en het belang aangeven van collectieve voorzieningen waarvoor de overheid zorg draagt illustreren en daarover met elkaar in interactie gaan – kennismaken met (internationale) organisaties die ernaar streven om het welzijn of de vrede in de wereld te bevorderen en in interactie gaan over de wijze waarop deze organisaties hun doel nastreven
-Illustreren wat rechten en plichten zijn – ervaren hoe rechten en plichten hand in hand gaan met elkaar – kennis maken met de fundamentele rechten van de mens en de rechten van het kind – in interactie gaan over het belang van deze rechten voor iedereen
-Illustreren van beslissingen die genomen worden op het niveau van de gemeente, provincie, Vlaamse regering en het land
-Weten dat Vlaanderen één van de gemeenschappen is van het federale België – weten dat België een deel van de Europese Unie is – weten dat Vlaanderen, België en de Europese Unie elk een eigen bestuur hebben waar beslissingen worden genomen
-Onderzoeken en uitdrukken wat een politieke partij is en wat ze doet
-Illustreren dat tijdsbesteding en tijdsbeleving mee bepaald worden door cultuur en omgevingsfactoren

Oriëntatie op tijd.
-Courante aanduidingen van tijd die verwijzen naar het lineaire of historische karakter van tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals eeuw, millennium, trimester …
-De eeuw in een tijdsaanduiding correct weergeven
-De indeling van de Europese geschiedenis kennen en daarbij de volgende perioden onderscheiden en juist ordenen:
*prehistorie / oudheid (tot ca. 500 n.C)
*middeleeuwen (van ca. 500 n.C tot ca. 1500)
*nieuwe tijden (van ca. 1500 tot ‘onze tijd’)
*onze tijd (de tijd waarin het voor leerlingen nog mogelijk is om levende getuigen te ontmoeten)
-Inzien dat deze indeling vooral geldt voor Europa door kennis te maken met elementen uit de wereldgeschiedenis die parallel plaatsvonden elders in de wereld (Nabije Oosten, precolumbiaanse Amerika, Chinese keizerrijk ….)
-Een eeuwenband en een tijdband kunnen opstellen die uitdrukking geven aan de grote perioden in de Europese geschiedenis
-Historische elementen uit hun omgeving en belangrijke historische figuren en gebeurtenissen waarmee ze kennis maken situeren in de juiste tijdsperiode aan de hand van een tijdband
-Begrijpen hoe diverse factoren meespelen bij de overgang van de ene historische periode naar de andere
-Ervaren en vaststellen dat er vaak slechts een onvolledig beeld kan worden geschetst van hoe het leven vroeger was – ervaren en vaststellen dat verschillende bronnen dezelfde historische gebeurtenissen anders kunnen weergeven – zich ervan bewust worden dat er een onderscheid is tussen een mening over een historisch feit en het feit zelf
-In interactie gaan over erfgoed in de eigen provincie, in België en in de wereld
-Erfgoed in de eigen omgeving situeren op de tijdband en in verband brengen met onderwerpen uit de geschiedenis
-Inzien dat het de moeite waard is om materieel erfgoed en immaterieel erfgoed te bewaren voor later omwille van gevoelswaarde, zeldzaamheidswaarde, symbolische waarde, functionele waarde, historische waarde …

Oriëntatie op de ruimte.
-De volgende grenzen herkennen: taalgrens, perceelgrens
-In interactie gaan over begrensde ruimtes in de omgeving en daarbij volgende termen kennen en gebruiken: wijk, gehucht, deelgemeente, fusiegemeente, gemeenschap, continent
-Weten dat Vlaanderen deel uitmaakt van het federale België en dat België deel uitmaakt van de Europese Unie
-In interactie gaan over kenmerken van een landelijke, stedelijke, toeristische of industriële omgeving – gelijkenissen en verschillen onderzoeken – (afbeeldingen van) landschappen herkennen: berglandschap, woestijnlandschap, industrielandschap, landelijk, toeristisch …
-Bij oriëntatie in de omgeving de windstreken (hoofd-en tussenwindstreken) bepalen met een kompas of door een kaart te oriënteren in een omgeving
-Legenden en windroos hanteren op verschillende soorten kaarten en in een atlas
-Een schaal hanteren bij het oriënteren op verschillende kaarten, digitale toepassingen en in een atlas
-Betekenisvolle plaatsen en gebeurtenissen lokaliseren op passende kaarten, in een atlas en via digitale toepassingen
-Op de kaart van België situeren:
*de gemeenschappen
*de belangrijkste rivieren
*minstens twee andere streken dan de eigen streek in België
-In een betekenisvolle situatie op de kaart van Europa België en de andere landen van de Europese Unie situeren
-Op een gepaste kaart herkennen:
*landelijke, stedelijke, toeristische of industriële omgeving
*de eigen streek en twee andere streken in België
-In een betekenisvolle situatie op de wereldkaart en de globe situeren:
*de werelddelen
*de oceanen
*de evenaar
*de polen
*enkele belangrijke plaatsen die in een thema of activiteit aan bod komen
-Langs een voor hen vertrouwde route de verkeerstekens, -borden en -regels voor fietsers zelfstandig naleven
-Zich als vaardige fietser gedragen in het verkeer: vlot kunnen afslaan naar links en rechts, vlot voorbijrijden en inhalen, kleine hindernissen nemen … – het belang inzien van een veilige fiets en daar zorg voor dragen
-Oplossingen bedenken die helpen om ‘verkeersconflicten’ te voorkomen
-Zich aan de hand van een kaart of (digitale) routeplanner:
*een beeld vormen van de reisweg tussen twee plaatsen in Vlaanderen
*de afstand tussen twee plaatsen berekenen
-Geholpen door een kaart of de instructies van een routeplanner een reisweg volgen
-Een eenvoudige route uitstippelen met het openbaar vervoer aan de hand van digitale applicaties, spoorboekjes …

Oriëntatie op techniek.
-Illustreren hoe technische systemen onder meer gebaseerd zijn op kennis over eigenschappen van materialen of over natuurlijke verschijnselen
-Voorwerpen uit de eigen omgeving herkennen als een toepassing van hefbomen, katrollen, lenzen, tandwielen, scharnieren, …
-Vaststellen en uitdrukken hoe productontwikkelaars nadenken over functies en mogelijkheden van technische systemen en op basis daarvan keuzes maken – ervaren, vaststellen en uitdrukken hoe mensen rekening houden met alles wat nodig is om een technisch systeem te ontwikkelen of efficiënter te laten functioneren
-Bij het gebruiken of realiseren van een technisch systeem, rekening houden met de behoefte, met de vereisten en met de beschikbare hulpmiddelen en in functie daarvan keuzes maken
-Waardering uiten voor uitvindingen, wetenschappelijk onderzoek en de positieve de positieve effecten ervan – illustreren hoe wetenschap, techniek en de samenleving elkaar beïnvloeden
-Binnen de verschillende toepassingsgebieden van techniek technische systemen, het technisch proces, hulpmiddelen en keuzes onderzoeken en illustreren
-Vaststellen en uiten welke specifieke energiebronnen worden gebruikt bij het maken van bepaalde producten, het vervoeren van goederen, het aanbrengen van verbindingen, het communiceren …

Oriëntatie op natuur.
-Organismen uit de omgeving op een eigen wijze ordenen aan de hand van minstens één criterium en in interactie gaan over de gekozen ordening
-Een aantal fasen onderscheiden in de voortplanting van mensen en dieren zoals verliefdheid, hofmaking, partnerkeuze, paring, bevruchting, dracht, zwangerschap, geboorte, broedzorg, zogen, borstvoeding …
-Onderzoeken, vaststellen en uitdrukken hoe planten zich op verschillende manieren voortplanten
-De functie van belangrijke organen van het menselijk lichaam die betrokken zijn bij ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering en voortplanting onderzoeken en er zich over uitdrukken – bij het menselijk lichaam de functie van de zintuigen, spieren, huid en skelet onderzoeken en zich er over uitdrukken
-Weerberichten van verschillende plaatsen of verschillende tijdstippen vergelijken
-Onderzoeken, vaststellen en uitdrukken welke verschillende klimaten er zijn (koude, warme, gematigde, droge …) – illustreren welke invloed van een bepaald klimaat heeft op de kledij, de woningbouw, de dagindeling …
-Onderzoeken en vaststellen welke factoren invloed hebben op het voortbestaan van de mens en van plant- en diersoorten – aan de hand van voorbeelden uit de omgeving onderzoeken en vaststellen hoe milieuproblemen ontstaan onder invloed van de mens – onderzoeken en vaststellen hoe hierbij tegengestelde belangen kunnen spelen
-Onderzoeken en vaststellen hoe de aarde een eindige bron van energie en grondstoffen is – onderzoeken en vaststellen waarom duurzame energiebronnen zoals zon, wind, water, biobrandstoffen … bij voorkeur worden aangewend – onderzoeken en vaststellen welke de gevolgen kunnen zijn van de opwarming van de aarde
-Eigenschappen zoals kleur, vervormbaarheid, oplosbaarheid, samendrukbaarheid, textuur … van vaak voorkomende stoffen en materialen uit de omgeving vaststellen en erover in interactie gaan – illustreren hoe de eigenschappen van specifieke stoffen en materialen mee bepalend zijn voor het gebruik ervan
-In gebruiksvoorwerpen zoals zuignappen, hefbomen, verbonden vaten, gesloten stroomkringen, spiegels, barometers, thermometers en bliksemafleiders de toepassing herkennen van natuurlijke verschijnselen
-Onderzoeken en illustreren hoe de aarde om haar as beweegt en uitdrukken welke gevolgen dit heeft voor het dag- en nachtritme van de eigen omgeving – onderzoeken en illustreren hoe de aarde, de zon en de maan ten opzichte van elkaar bewegen

MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediageletterdheid.

-(Combinaties van) mediamiddelen analyseren en inzetten om te leren en zich uit te drukken
-Binnen voor hen relevante contexten, ICT gebruiken bij het uitvoeren van complexe opdrachten
-Mediamiddelen ontdekken die het best bij de eigen persoonlijkheid aansluiten
-Bewust beleven, herkennen, genuanceerd beschrijven en toepassen van:
*(digitale) vervorming van geluid
*samenspel tussen stilte en geluid, meer en minder geluid
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en eenvoudig toepassen van:
*effecten van belichting
*samenspel tussen licht en donker
*sfeer
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en toepassen van:
*bewegingen die een opnameapparaat maakt
*het precieze standpunt van een opnameapparaat
*diepte en richting in een beeld
*plaatsing van object
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en eenvoudig toepassen van:
*het selecteren en monteren van beelden en geluiden
*eenvoudige herhalingen (ritmes) in een montage
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven en eenvoudig toepassen van vervormingen en aanpassingen van beelden
-Inzien welke rol media in de samenleving spelen en welke impact ze hebben op het maatschappelijk leven
-Media-ervaringen beleven in de eigen omgeving en afleiden dat media verschillende functies kan hebben
-Zich uitdrukken over media-ervaringen – media-ervaringen speels verwerken

Mediavaardigheid.
-Zelfstandig bestanden beheren door: mappen en bestanden aan te maken, een naam te geven, te ordenen, te verplaatsen en te verwijderen
-Een tekst efficiënt opmaken met oog voor: kleur, lettergrootte, vet, cursief, opsommingsteken, uitlijning …
-Een tabel invoegen
-Een presentatietoepassing kiezen – een eenvoudige presentatie ontwerpen, opmaken en presenteren
-Doelgericht inzetten van de audiovisuele bouwstenen
-Experimenteren met fotobewerking, bijvoorbeeld een speciaal effect (tekst, filter, vormen … ) toevoegen
-Experimenteren met video – en geluidsbewerking bijvoorbeeld met eenvoudige apps video en geluid manipuleren, stopmotion filmpjes maken …
-Een geschikte applicatie selecteren en gebruiken voor het zoeken van de gewenste informatie -favoriete websites bewaren.

ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.

-Risico’s en gevolgen van bepaalde keuzes herkennen – het gezichtspunt van anderen bij het nemen van beslissingen exploreren – rekening houden met de wensen van een ander bij het maken van een keuze – factoren die een keuze beïnvloeden kritisch beoordelen – groepsbeslissingen nemen en accepteren – bedenktijd vragen bij moeilijke keuzes – verantwoordelijk omgaan met dilemma’s
-Prioriteiten kunnen stellen wanneer meerdere taken zich aandienen
-De juiste omstandigheden creëren om vooropgestelde doelen te bereiken
-Vooraf aangeven wanneer men tevreden zal zijn met het eigen werk
-In onderling overleg met andere leerlingen of individueel zoeken naar de meest geschikte strategie om een vraag, een opdracht, een uitdaging of een probleem op te lossen – tijdens het oplossingsproces nagaan in welke mate de gekozen strategie effectief is – indien gewenst de gekozen strategie bijsturen

Onderzoekscompetentie.
-Een vooropgestelde planning of aanpak bijsturen waar nodig – voorbereiding en prioritering van taken beoordelen en eruit leren voor de volgende keer – de eigen werkstijl aanpassen waar nodig op basis van de aan de taak gestelde eisen van uitvoering – inschatten wat nodig is aan kennis, vaardigheden en inzichten om een taak uit te voeren – met anderen bespreken hoe men iets heeft aangepakt en samen suggesties formuleren voor inhoudelijke en procesmatige aanpassingen

Gezonde en veilige levensstijl.
-Gevaren van overmatig en verkeerd gebruik van genotsmiddelen en medicatie kennen – inzien hoe verslaving kan ontstaan en kan ontwikkelen – weerbaar omgaan met verlokkingen: ‘neen’ durven zeggen
-Inzien dat naarmate het lichaam ontwikkelt, bijkomende lichaamshygiëne nodig is
-De vier stappen bij eerste hulp kennen: zorgen voor veiligheid, de toestand van het slachtoffer beoordelen, de hulpdiensten alarmeren, verdere eerste hulp verlenen – bij het verlenen van eerste hulp inschatten welke gewonde en/of welke verwonding als eerste aandacht verdient – het bewustzijn en de ademhaling van een slachtoffer vaststellen – het belang kennen van een vrije luchtweg kennen
-Het pictogram van AED herkennen – de functie van AED kennen en de instructies van het toestel kennen en begrijpen
-Inschatten of een verstikking licht of ernstig is en daarbij gepast handelen door de techniek ‘op de rug slaan’ correct toe te passen
-Kennen het belang van vaccinatie
-Een drukverband kunnen aanleggen bij ernstige bloedingen
-Letsel aan botten, spieren of gewrichten herkennen – de mogelijke letsels aan het bewegingsapparaat kennen: verstuiking, ontwrichting en breuk
-Aangepaste (eerste) hulp bieden in diverse situaties waarbij hulp vereist is

Engagement voor duurzaam samenleven.
-Inzien en illustreren hoe iets altijd een onderdeel is van een nog groter geheel en dat handelingen en gebeurtenissen altijd gevolgen hebben voor dat geheel – inzien dat en hoe men het grotere geheel kan beïnvloeden
-De korte- en langetermijngevolgen van handelingen en gebeurtenissen voor de mensen en de planeet aantonen
-Een handeling, gebeurtenis of actie vanuit verschillende invalshoeken beschrijven – met voorbeelden aantonen dat de betekenis van handelingen, gebeurtenissen of acties kunnen verschillen naar gelang de invalshoek
-Zich afvragen welke de gevolgen zijn van het handelen van mensen voor nu en later, voor hier en elders – persoonlijke keuzes en handelingen afstemmen op de mogelijke gevolgen ervan voor nu en later, voor hier en elders
-Begrijpen dat initiatieven rond duurzaamheid altijd moeten inzetten op mens én planeet
-Kritische vragen stellen bij sociale (on)rechtvaardigheid – zulke situaties analyseren met oog voor de verschillende aspecten ervan en de betrokkenen
-Bereidheid tonen om in de eigen omgeving aan acties deel te nemen of acties te ondernemen die sociale onrechtvaardigheid bestrijden – kritisch reflecteren op ondernomen acties en eruit leren voor de toekomst
-Zonder over elkaar te oordelen in dialoog gaan over sociale onrechtvaardigheid en wat men daar vanuit het eigen perspectief bij beleeft – de eigen rol met betrekking tot sociale (on)rechtvaardigheid in de eigen omgeving onderzoeken
-Kritische vragen stellen bij natuur- en milieuproblemen – zulke situaties analyseren met oog voor de verschillende aspecten ervan en de betrokkenen
-Zonder over elkaar te oordelen in dialoog gaan over natuur- en milieuproblemen en wat men daar vanuit het eigen perspectief bij beleeft – de eigen rol met betrekking tot natuur- en milieukwesties in de eigen omgeving onderzoeken
-Bereidheid tonen om in de eigen omgeving aan acties deel te nemen of acties te ondernemen die opkomen voor natuur en milieu – kritisch reflecteren op ondernomen acties en eruit leren voor de toekomst
-Kritische vragen stellen bij consumptiegedrag – zulke situaties analyseren met oog voor de verschillende aspecten ervan en de betrokkenen
-Zonder over elkaar te oordelen in dialoog gaan over consumeren en de consumptiemaatschappij en wat men daar vanuit het eigen perspectief bij beleeft – de eigen rol met betrekking tot overconsumptie onderzoeken – verwoorden welk gebeuren in de omgeving met betrekking tot consumptie of een (on)houdbare economie hen raakt – vragen stellen bij een gebeuren met betrekking tot (on)houdbare economie

ONTWIKKELING VAN EEN INNERLIJK KOMPAS
Waardengevoeligheid en normbesef.

-Inzien dat een regel overtreden iets anders is dan een regel veranderen
-Inzien hoe waarden en normen mee worden bepaald door aspecten als sociale achtergrond, etnische afkomst en de persoonlijke geschiedenis van mensen – inzien dat waardebesef ook niet volledig cultureel of levensbeschouwelijk bepaald wordt en dat een aantal houdingen en handelingen onaanvaardbaar zijn

Veerkracht.
-Lastige situaties durven aanpakken door: na te gaan wat men aan de situatie kan doen, na te denken over hoe men zich opstelt tegenover het probleem en hoe men zich kan verweren – even uit een lastige situatie stappen om eerst tot rust en bezinning te komen en om de eventuele betrekkelijkheid en de relativiteit van de ‘lastige situatie’ in te zien
-Optimisme tonen, zelfs wanneer het moeilijk is – vertrouwen op de eigen mogelijkheden en de steun van anderen om een lastige situatie te boven te komen – op een creatieve manier kunnen omgaan met wat het verleden (eigen verleden, getuigenissen over het verleden van anderen, van een groter geheel) aanreikt

SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.

-Vriendschap ervaren als een intieme en wederkerige relatie – een vriendschapsrelatie onderscheiden van een liefdesrelatie
-Geloven in duurzame vriendschappen over tijd, plaats en gebeurtenissen heen – investeren in stabiele vriendschappen – opkomen voor anderen – loyaal zijn tegenover vrienden en erop durven vertrouwen
-Interesse tonen om tot formele groepen te behoren – gemeenschappelijke interesses delen
-De invloed van leeftijdsgenoten op het eigen handelen, voelen en denken ervaren – zich daarover uitdrukken – evalueren welke impact (allerlei vormen van) relaties op het eigen leven hebben – weerbaar omgaan met groepsdruk
-Tijd nemen om naar elkaar te luisteren en op een evenwaardige manier tot uitwisseling te komen – leren van andermans visies, ervaringen en competenties – op een rustige en reflectieve manier via verschillende invalshoeken naar zaken kijken
-Zich respectvol kunnen aanpassen aan context, personen, situaties en culturen – onderhandelen en zich manifesteren of aanpassen zonder zichzelf te verloochenen
-De impact van discriminatie, vooroordelen en stereotypering (h)erkennen – verklaren wat er toe bijdraagt dat, ondanks de soms grote onderlinge verschillen tussen individuen of groepen, harmonieus samenleven toch lukt
-De talenten van individuele groepsleden complementair inzetten bij groepswerk – zelf groepen samenstellen in functie van een vooropgestelde taak of doel – binnen de samenwerking met anderen een specifieke rol opnemen
-Als objectieve waarnemer verschillende gezichtspunten van groepsleden opnemen – verschil van mening accepteren – tot een compromis komen door verschillende oplossingen samen te voegen – de groep stimuleren en motiveren
-Weten waar en wanneer samenwerken aangewezen is – een goede balans tussen zelfstandig werk en samen werken vinden
-Anderen motiveren en inspireren om deel te nemen aan een eigen idee, een maatschappelijk initiatief – het verschil begrijpen tussen macht en gezag
-Een leidende rol kunnen opnemen en daarbij rekening houden met de wensen van anderen en zichzelf – afspraken maken met een groep en deze doen naleven – taken kunnen delegeren
-Openstaan voor inspirerende leiders en daarvan leren
-De nood aanvoelen van een groep – zien welke zorg iemand nodig heeft – zorgen voor een goede sfeer in de groep – zich belangeloos voor een ander inzetten – hulp bieden ongeacht of men diegene die hulp nodig heeft aardig of minder aardig vindt – verantwoordelijkheid opnemen voor een goede groepsfunctionering
-Geloven in ‘samen sterk’ – de handen in elkaar slaan om een moeilijke of complexe taak of opdracht tot een goed einde te brengen – afhankelijk van een ander durven en kunnen zijn
-Op een zelfbewuste manier iets presenteren -present staan voor een willekeurige groep – vanuit zelfkennis de aandacht trekken
-Het beste in de ander naar boven halen – feedback geven met oog voor de positieve elementen
-Respect hebben voor de eigenheid van een ander – respect opbrengen voor andere culturen, leefwerelden – openstaan voor diverse mens – en wereldbeelden
-Zich onpartijdig kunnen opstellen
-Met leeftijdsgenoten onderhandelen over de oplossing van een conflict – kunnen optreden als bemiddelaar bij conflicten in de klas, de school – luisteren naar de verschillende partijen:
-waarnemen: luisteren of informeren naar het verhaal van de verschillende partijen
-luisteren naar de gevoelens en behoeften van de verschillende partijen
-de verschillende partijen uitnodigen om uit te drukken wat zij van de ander gehoord hebben (hun ervaringen, gevoelens en behoeften) en bij elkaar nagaan in welke mate de toelichting klopt met de eigen beleving
-Samen mogelijkheden tot oplossing bedenken
-Inschatten wanneer het wel of niet aangewezen is om in een conflict tussenbeide te komen – overwegen op welke wijze dat het best kan gebeuren en daarbij rekening houden met de gekozen sociale rol en eigen behoeften zoals behoefte aan -veiligheid, bescherming en ondersteuning nagaan in welke mate de interactie het gewenste effect heeft

Omgaan met gevoelens en behoeften.
-Aanvaarden dat eigen en andermans behoeften niet altijd (meteen) kunnen ingelost worden – zichzelf toelaten om te rouwen wanneer bepaalde behoeften niet kunnen ingelost worden en dit ook bij anderen respecteren
-Zoeken hoe eigen en andermans behoeften op middellange termijn kunnen ingelost worden – voor zichzelf bepalen welke behoeften op een bepaald ogenblik het belangrijkste zijn
-Bewust omgaan met gevoelens die voortkomen uit fysieke veranderingen

Inlevingsvermogen.
-Rekening houden met andere standpunten en daarbij meer dan één perspectief in rekening nemen – empathie ontwikkelen voor anderen dichtbij en veraf – in het eigen gedrag rekening houden met de gevoelens en de behoeften van anderen zonder zichzelf te verliezen
-In de schoenen van iemand anders gaan staan en zo diens situatie en context juist inschatten

Seksueel bewustzijn.
-Beseffen dat tijd nemen om contact te leggen en elkaar beter leren kennen belangrijk zijn voor het aangaan van een duurzame relatie – ontdekken hoe de komst van een kind wordt gezien als een geschenk – weten dat de seksuele gemeenschap tussen mannen en vrouwen kan leiden tot een zwangerschap – weten dat met behulp van voorbehoedmiddelen zwangerschap kan voorkomen worden
-Ontdekken dat de beleving van partnerrelaties levensbeschouwelijk gekleurd is – ontdekken hoe levensbeschouwelijke tradities elk op hun manier ruimte geven aan man- en vrouwrollen en partnerrelaties én hoe mensen omgaan met de ruimte die hun levensbeschouwing hiervoor creëert
-Inzien hoe voor christenen God zich te kennen geeft in een liefdevol samenzijn
-Beseffen dat verliefdheid kan verschillen in uitingsvorm, leeftijd en geslacht en welke reacties verliefdheid kan oproepen bij zichzelf en anderen – weten dat uitingsvormen van en opvattingen over seksualiteit verschillen – weten dat in de media nogal eens een onrealistisch of negatief beeld wordt gegeven van man of vrouw, seksueel gedrag, liefde en relaties en dat de reclame daarbij een rol speelt – zich daar op een respectvolle wijze en met een gepaste taal over uitdrukken
-Inzien hoe sekserollen ontstaan en worden aangeleerd – weten dat mensen kunnen kiezen voor verschillende relatievormen: samenwonen, trouwen, latrelatie, man-man, vrouw-vrouw en dat daar door mensen verschillend over gedacht wordt – zich gaandeweg bewust worden van de eigen seksuele en relationele voorkeur – in het dagelijkse leven gendervriendelijk voelen, denken en handelen


Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

Geef een reactie

Ontdek meer van Inhuisonderwijs

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder