Godsdienst eerste cyclus (6-8 jaar) – leerplandoelen katholiek onderwijs

Hieronder de leerplandoelen Rooms-Katholieke Godsdienst eerste cyclus. De ZILL leerplandoelen voor Godsdienst zijn opgedeeld in 4 cyclussen, waarvan de eerste de kleuters is van 2,5 tot 6 jaar en de tweede de ‘eerste cyclus’ genaamd voor kinderen van 6 tot 8 jaar.
De tweede cyclus van 8 tot 10 jaar en de derde cyclus van 10 tot 12 jaar.

De algemene leerplandoelen voor kinderen tot 7 jaar kan je hier vinden.
De algemene leerplandoelen voor kinderen tot 8 jaar kan je hier vinden.

Lees deze blogpost voor alle wetgevingen en regels rond huisonderwijs.
In deze blogpost neem ik je bij de hand en vullen we samen de verklaring van huisonderwijs in bij inschrijven van jouw kind voor huisonderwijs.
Wat zijn leerplandoelen, ontwikkeldoelen, onderwijsdoelen?
In deze blogpost zet ik het even allemaal op een rijtje voor jou.

Hoe ga je aan de slag met deze leerplandoelen? Op deze pagina geef ik je de
handleiding voor deze ultieme gids.

Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST EERSTE CYCLUS

Vertrouwen en wantrouwen, mogelijkheden en beperkingen.
Mag ik zijn wie ik ben?
*Zich benaderd, aanvaard, uitgedaagd en bemind voelen als iemand die de moeite waard is, vanuit welke thuis, cultuur of levensbeschouwelijke overtuiging men ook komt
*Aanvaarden dat er verschillen zijn tussen henzelf en andere kinderen
*Jezus leren kennen, als iemand die van el­ke mens houdt
*Bereid zijn om andere kinderen in de klas te waarderen
-Ontdekken en doorleven welke mogelijkheden hun zintuigen hen bieden: horen, zien, ruiken, proeven, voelen
-Nagaan wanneer zij wel of niet deugd beleven aan hun lichaam
-Leren spreken over de mogelijkheden én over de grenzen van hun eigen lichaam
-Hun lichaam leren zien als een gave en een wonder en ervoor danken
-Gemotiveerd zijn om hun eigen lichaam te waarderen onder meer door passende lichaams­ver­zorging
-Zien dat mensen verschillen in hun lichamelijke mogelijkheden en grenzen: meisjes/jon­gens, lichaamsbouw, handicaps, leeftijd …
-Verschillende vormen van lichaamstaal verkennen: gebaren, tekens, houdingen, gelaats­uitdruk­kingen … en associëren rond de betekenis ervan
-Ontdekken hoe ze zich via lichaamstaal door anderen gesteund, getroost, bemoe­digd of gekwetst weten …
-Al doende ontdekken hoe ze zelf via lichaamstaal anderen kunnen steunen, troos­ten bemoe­di­gen of kwet­sen
-Aanvoelen en uitspreken wat er in hen omgaat, wanneer zij bepaalde lichaamshou­din­gen aanne­men, zoals: knielen, diep buigen, het hoofd buigen, rechtstaan, neer­zitten …
-De band tussen het innerlijke en het uiterlijke van de mens verder verkennen: lichaams­taal kan het innerlijke van een mens weergeven of verbergen
-Vertellen over deugddoende vormen van liefdevolle lichamelijke nabij­heid, zoals een knuffel, een kus, een schouderklopje, een kruisje …
-In evangelieverhalen zien op welke wijze Jezus bij mensen deugddoend en gene­zend nabij kon zijn
-Beseffen dat nabijheid een bedreiging kan zijn, wanneer ze niet door liefde ge­dragen wordt
-Zien hoe gelovige mensen in verschillende godsdiensten hun verbondenheid met God uitdruk­ken met hun li­chaam: vertrouwen, nederigheid, eerbied, dankbaarheid, res­pect …
-Lichaamstaal van biddende mensen verkennen
-De lichaamstaal in de eucharistie verkennen: rechtstaan, brood breken en delen, … (zie ook onderwerp ‘Brood, tafel, maaltijd houden’)
-Lichamelijke rituelen van verschillende culturen of godsdiensten verkennen
-Een passende houding zoeken, wanneer ze stil worden bij wat er diep in hen omgaat
-(Wanneer ze zelf gelovig zijn) een passende houding aannemen bij hun gebed
-Een aantal lichamelijke tekens en gebaren in andere sacramenten verkennen: hand­op­leg­ging, onder­dom­pelen in water, besprenkelen met water, zalven, zegenen …
-Grenzen leren zien en ervaren op verschillende vlakken: op vlak van hun lichaam, grenzen binnen een groep (wetten, regels, afspraken, …), territoriale grenzen (barrières)
-Beseffen wat de confrontatie met grenzen bij hen en bij andere mensen teweeg­brengt: onmacht, ongenoegen, lichamelijk en/of psychisch lijden
-Bespreken dat grenzen ook veiligheid en vertrouwen kunnen bieden
-Verkennend spreken over de dood vanuit verhalen of naar aanleiding van een actueel gebeuren in het leven van de kinderen
-Verschillende oorzaken op het spoor komen, die mensen in hun mogelijkheden beperken of in hun groei remmen: buiten de wil van de mens om: men is zo geboren, natuurrampen, …/ door de mens veroorzaakt (al of niet bewust): ongelukken, geweld, uit­sluiting, eenzaamheid …
-Beseffen dat inperkingen en grenzen soms het eerst in het oog springen
-In verschillende situaties niet enkel grenzen zien, maar ook mogelijkheden ont­dekken
-Bij elkaar mogelijkheden en kwaliteiten zien, naast grenzen en beperkingen
-Beseffen dat waardering voor een ander hem/haar helpt om zijn/haar mogelijkheden te ont­plooi­en
-Ontdekken hoe mensen mekaar kunnen aanvullen zoals de verschillende ledematen van één lichaam (bv. 1 Kor 12, 12-31)
-Leren zien hoe mensen soms heel verschillend reageren op grenzen en beperkin­gen: aanvaarden, berusten, ontmoedigd zijn, opstandig zijn, vechten, er toch iets van willen maken …
-In evangelieverhalen ontdekken hoe Jezus nabij is bij kleine en beperk­te men­sen en wat die nabijheid voor die mensen betekent: bv. de zondige vrouw (Lc 7, 36-50), Barti­meüs (Mc 10, 46-52), de melaatsen (Lc 17, 11-19)
-Het leven van gelovige mensen van vroeger en nu leren kennen, die zich inzetten voor kleine en zwakke medemen­sen: bv. Sint-Maarten, Sint-Nicolaas, pater Damiaan, moeder There­sa, Jan Ver­meire, Jean Vanier …
-Ontdekken dat ook in godsdiensten buiten het christendom (jodendom, islam, …) mensen in hun geloof kracht en inspiratie vinden om ieder medemens als even­waardig te beschou­wen
-Weten dat gelovige mensen in Jezus de voorkeurliefde van God zien voor kleine en zwakke mensen
-De voorkeurliefde van God voor kleine mensen herkennen in bijbelverhalen als bv. de zalving van David (1 S 16, 1-13), David en Goliath (1 S 17)
-Ervaren dat mensen die mekaar graag zien, mekaar aanvaarden met hun moge­lijk­he­den én hun gren­zen
-Mogelijk kracht vinden in het geloof in God om zichzelf graag te zien, met mogelijkhe­den en beperkingen
-Mogelijk kracht vinden in het geloof in God om van andere mensen te houden, met hun mogelijkheden en beperkingen
-Ontdekken dat mensen ook in ziekte en lijden positieve ervaringen kunnen door­maken, bv. Franciscus, Ignatius …
-Ontdekken dat verbondenheid kan bestaan met mensen uit andere delen van de wereld
-Verhalen verkennen over mensen die blijven houden van een geliefde die gestor­ven is, en die geloven dat deze geliefde leeft in de geborgenheid van de Vader

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur.
-Eigen gevoelens en gevoelens van anderen verkennen en verwoorden: blij, bang, boos, ver­drietig, ja­loers, op­ge­lucht, schul­dig, te­leur­gesteld … Deze gevoelens kunnen verkend worden in verhalen, in strips, op foto’s, in filmbeel­den, via li­chaams­taal …
-Beseffen dat gevoelens er gewoon zijn, of ze nu aangenaam zijn of niet, en dat gevoelens op zich dus niet slecht zijn
-Beseffen dat iedereen wel eens blij, bang, boos, verdrietig … is
-Zich bewust worden van het feit dat gevoelens zeer sterk kunnen zijn
-Situaties verkennen die aanleiding geven tot bepaalde gevoelens: relaties tussen mensen en dingen die daarin gebeuren, macht en onmacht, het zich bewust worden van iets …
-Ervaren dat ze kunnen geraakt worden door wat rondom hen gebeurt
-Er zich bewust van zijn dat gevoelens willen ‘naar buiten komen’
-Zich ervan bewust worden hoe het voelt als men een gevoel niet wil/kan/mag tonen
-Gevoelens creatief tot uiting brengen
-Ontdekken dat je beter met je gevoelens kan omgaan, wanneer je je gesteund weet door een mens in wie je vertrouwen hebt
-Ontdekken dat gevoelens knipperlichten zijn voor de daaronder liggende behoeften
-Een aantal modellen van omgaan met gevoelens exploreren en/of uitproberen in een rollenspel
-Beseffen dat sommige uitingen van gevoelens pijn veroorzaken en niets oplossen
-Beseffen dat rollenpatronen verschillen opleggen tussen jongens en meisjes: bv. niet of wel mogen huilen
-Ontdekken dat sommige striphelden weinig gevoelens tonen
-Rustig en stil kunnen worden bij een gevoelen dat in hen
-Ontdekken dat stilte en rust helpen om een gepaste uitdrukking te vinden voor gevoelens
-Via verhalen beluisteren dat bidden sommige mensen helpt om met hun gevoelens om te gaan
-Ontdekken welke gevoelens bij hen opkomen wanneer ze bidden
-Gevoelens leren toevertrouwen aan de stilte, het water, een boom, een mens, muziek, mogelijk als uitdrukking van verbondenheid met God
-Gevoelens leren toevertrouwen aan God, Jezus, Maria
-In het evangelie ontdekken hoe Jezus uit liefde meeleefde met Bartimeüs en met de rijke jongeling
-In evangelieverhalen leren zien dat Jezus gevoelens heeft, bv. vreugde, boosheid, ver­driet, angst
-Weten dat Jezus zich vaak terug trok in de rust en de stilte
-Ontdekken dat Jezus in zijn meeleven met mensen laat zien wie God is
-In andere evangelieverhalen ontdekken hoe Jezus meeleefde met mensen bv. de weduwe van Nain (Lc 7, 11-17), Jaïrus (Lc 8, 40-42.49-56) …
-Evangelieverhalen beluisteren, die voorbeelden inhouden van gevoelens van Jezus, zoals vreugde (bv. om de ontmoeting met mensen), boosheid (bv. t.o.v. farizeeërs en schriftgeleerden, de tempel), verdriet (bv. voor de dood van Lazarus – Joh 11), angst (bv. in het lijdensverhaal)
-Via bijbelse beelden ontdekken dat mensen zich door God gedragen weten: gedragen op arendsvleugelen (Ex 19, 4), gedragen door een herder (Lc 15, 5)
-In bijbelverhalen ontdekken dat Jezus mensen draagt, bv. zondaars en tollenaars (Lc 5, 27-32), een zieke vrouw (Lc 13, 10-13) …
-Ontdekken dat christenen zich vandaag door God en door Jezus gedragen weten
-Verhalen horen over mensen van vroeger, die zich door God en door Jezus ge­dragen wisten
-Zien dat Jezus zorgt draagt voor de zwakste mensen
-Zien hoe moeders en vaders hun kind dragen (biologisch en emotioneel) en hierbij ge­lijkenis zien met God en Jezus die mensen dragen
-Christenen leren kennen die mensen dragen en zorg dragen voor mensen, door beelden en/of verhalen van vroeger en van nu, van dicht­bij (bv. zieken­zorg, wel­zijns­zorg …), wereldwijd (bv. Broederlijk Delen, missionarissen …)
-Het verhaal van Kristoffel (Christoforus) beluisteren en daarin verkennen hoe hij mensen droeg
-Verder kennis maken met mensen uit hun eigen omgeving die andere mensen dragen
-Doorheen concrete oefeningen m.b.t. dragen en gedragen worden stil staan bij diverse vormen van dragen, draaglast en draagkracht
-Stil staan bij wat ze dragen of met zich meedragen, in verschillende betekenis­sen van het woord: voorwerpen, kledij, mensen, herinneringen, gevoelens …
-Zich bewust worden van ervaringen van wel of niet gedragen te worden door hun ouders, door andere men­sen, door hun omgeving
-Zich mogelijk bewust worden van wel of niet gedragen te worden door God
-De ervaring van zich al dan niet gedragen te weten verwoorden door middel van inle­vings­- of expressieoefeningen of verhalen
-De ervaring van zich al dan niet gedragen te weten uitdrukken in een bezinnings- of celebratiemoment
-Zelf leren (zorg) dragen met hun eigen mogelijkheden
-In afspraak met hun klasgroep bewust kiezen om zorg te dragen voor iets of iemand in de klas of in de school
-Zelfstandig willen worden vanuit een gevoel van zich gedragen weten
-Doorheen dansen zich gedragen weten door muziek, beweging, een groep
-Een wereldwijde verscheidenheid ontdekken in het dragen en gedragen worden via beel­den en verhalen uit verschillende culturen
-Gastvrijheid leren kennen als vorm van zorg dragen voor mensen in verschil­lende cultu­ren en godsdiensten, via religieuze verhalen en gebruiken
-Kennis maken met de wijze waarop mensen elkaar helpen door allerlei samen­werkings­verbanden (bv. in stamculturen)
-Ontdekken hoe belangrijk het is voor de lamme gedragen te worden door vier vrienden (Mc 2, 1-12)
-Luisteren naar verhalen over zelfhulpgroepen, waarin mensen elkaar dragen
-Stil staan bij hun eigen geboorte (en eventueel bij hun doopsel) aan de hand van verhalen van hun ouders, foto’s, video …
-Verwonderd kunnen zijn over hun leven, over hun eigen mogelijkheden
-Koesterend en voorzichtig omgaan met elke vorm van nieuw leven
-Stil staan bij belangrijke groeimomenten uit hun leven, met vreugde en pijn
-Aandacht hebben voor de naam die ze gekregen hebben
-Oog hebben voor geboorte en groei in de natuur
-Ontdekken dat er gelijkenissen en verschillen bestaan tussen kinderen, aan de hand van verhalen, foto’s …
-Ontdekken dat kinderen in verschillende omstandigheden geboren worden, afhankelijk van de levensomstandigheden, de cultuur …
-Ontdekken hoe ouders in verschillende culturen omgaan met kleine kinderen
-Op een eigen manier hun dankbaarheid om dat leven kunnen uitdrukken
-Ontdekken hoe gelovige mensen hun leven zien als een geschenk van God, bv. aan de hand van passages uit de schep­pings­ver­ha­len van de Bijbel (Gn 1 en 2)
-Weten dat christenen in het doopsel vieren dat het leven een geschenk is van God en dat er voor elke gedoopte iets nieuws begint
-In een vieringsmoment danken voor hun leven en voor elke vorm van nieuw leven rondom hen
-Ontdekken dat verschillende culturen op hun manier omgaan met geboorte en leven, waarbij het leven soms als een geschenk wordt beleefd
-Ontdekken dat groeien betekent: meer kunnen en meer mogen
-Ontdekken dat groeien ook betekent: loslaten en kiezen
-Kennis maken met Jezus, die als kind opgegroeid is in zijn eigen cultuur en omgeving (Lc 2, 41-52), en zijn leven zag als een opdracht van God, zijn Vader
-Via verhalen, getuigenissen … ondervinden hoe mensen uit hun omgeving in hun leven een opdracht ontdekken
-Beseffen dat er ook een opdracht ligt in hun eigen leven
-Bereid zijn om op hun eigen manier deze opdracht op zich te nemen
-Terugblikken op hun eigen groeimomenten (eerste woordjes, pasjes, fietsje, teke­ning …)
-Stilstaan bij pijnlijke momenten die ze hebben meegemaakt in hun groei
-De opgave van Jezus’ leven ontdekken in het kindsheidsverhaal van Lucas
-Christenen van vroeger en nu kennen, die hun leven beschouwen als gave en opga­ve
-De natuur al spelend beleven als een avontuurlijk landschap
-In het werken met natuurlijke materialen de creativiteit ontdekken die van natuur iets moois kan ma­ken
-Uiten wat hen verwondert, wat hen treft, wat hen bang maakt, hoe ze genieten in de natuur, zoals ze deze zelf er­va­ren in hun ei­gen om­geving en zoals ze voor hen zicht­baar is via de media, docu­men­tai­res, fo­to’s …
-De stilte in de natuur ervaren en zelf stil kunnen worden in en bij de natuur (bezinning, gebed, celebratie)
-Spreken over grote bedreigingen in de natuur, die veel slachtoffers maken, bij­voorbeeld naar aanleiding van actuele gebeurtenissen
-Zich bewust worden hoe leven en dood eigen zijn aan de natuur
-Kennis maken met verhalen en rituelen van volkeren die verbonden leven met de natuur
-Via verhalen ontdekken hoe de natuur door verschillende volkeren als ‘heilig’ be­schouwd wordt
-Weten dat bij verschillende volkeren de eerbied voor de natuur uitgedrukt wordt in allerlei rituelen
-Ervaringen opdoen met betrekking tot de vier oerelementen
-Zichzelf leren zien als een onderdeel (kind) van ‘moeder natuur’, Gods natuur
-Het heilzame van de natuur ervaren
-Het goede van de schepping ontdekken via scheppingspsalmen: Ps 8 of 104
-De natuur ervaren als niet door mensenhanden gemaakt
-Verkennen hoe christenen de natuur ervaren als geschapen, als gave Gods, bv. Fran­ciscus
-Aanvoelen dat heel wat mensen vanuit hun geloof zorgen voor de schepping
-Zichzelf leren zien als geschapen
-Jezus’ geloof in Gods scheppende zorg voor de natuur lezen in Mt 6, 26-30
-Luisteren naar verhalen van joden en christenen, waarin ze beelden uit de natuur gebrui­ken om over God te spre­ken: bv. vuur, wolk, zachte bries, arend …
-Weten dat Jezus zich vaak terugtrok in de stilte van de natuur, om tot zijn Vader te bid­den
-Zich bewust worden van de kwetsbaarheid van de natuur in eigen omgeving: vervuiling, beschadiging …/ in de grote wereld: natuurgebieden verdwijnen om plaats te maken voor Indus­trie, dieren worden misbruikt …
-Mensen en groepen leren kennen die zich inzetten voor het behoud van de natuur
-Handelingen of houdingen verkennen, waardoor ze zorg kunnen dragen voor de natuur
-De zorg voor de natuur mogelijk beleven als meewerken aan Gods schepping
-Weten dat sommige mensen de natuur niet respecteren uit luiheid, uit winstbejag …
-Zich engageren om mee te werken in projecten en acties voor behoud van de natuur: MOS op school, afval sorteren, boomplantactie …

Gevoeligheid voor goed en kwaad.
-In hun eigen leven en in hun leefwereld het goede op het spoor komen, bv. thuis, op school, In de straat, in de krant, op TV, op va­kantie, in hande­lin­gen van men­sen
-Vertellen wat hen daarin vooral goed doet
-Vindingrijk worden in het goede dat zij voor anderen kunnen doen en betekenen
-Verder ingaan op de manier waarop mensen het goede bele­ven, via de manier waarop zij dit uitdrukken in verhalen of kunstwerken
-Ontdekken dat mensen die van hen houden meestal ook goed doen voor hen, aan de hand van concrete voorbeelden en verhalen uit hun leven
-Bereid zijn om andere mensen beter te leren kennen, om te kunnen weten wat goed voor hen is en wat niet
-Blij en dankbaar kunnen zijn voor het goede dat zij ondervinden, en dit op een eigen manier ook kunnen uitdrukken of vieren
-Aandacht hebben voor mensen die niet onmiddellijk tot de eigen familie, kring of vrien­den­groep beho­ren om te kunnen zien wat goed is voor hen
-Verwoorden dat mensen die van hen houden hen ook wel eens pijn doen
-Beseffen dat mensen aan kinderen gehoorzaamheid vragen, omdat ze van hen houden en het goede willen voor hen
-Beseffen dat ze veel goede dingen doen, maar dat ze ook in de fout gaan
-Mogen ondervinden dat ze ook mét hun fouten door mensen bemind worden
-Bereid zijn om goed te maken wat fout was, indien dit mogelijk is
-In verhalen lezen hoe mensen weer goed maken wat er door hun schuld fout is gelopen
-Aan de hand van beelden die voor God gebruikt worden (Vader, Herder) ontdek­ken dat chris­tenen geloven dat God het goede wil voor iedereen
-In het verhaal over de ontmoeting met Zacheüs (Lc 19, 1-10) beluisteren hoe Jezus goed doet aan mensen
-Voorbeelden zien van christenen, die vanuit hun geloof in God goed willen doen: chris­te­nen uit de geschiedenis, christenen van vandaag
-Uit evangelieverhalen verstaan dat christenen in Jezus de goedheid van God zien
-Verhalen horen over groepen die vanuit hun geloof in God goed willen doen, bv. kloos­ters, verenigingen
-Weten dat God niet zo maar kan doen wat wij vragen, bv. aan de hand van het beeld van een mee-lijdende God

Openkomen voor geloofstaal, symboliek en rituelen.
-Ontdekken hoe ze op vele wijzen van water kunnen genieten: verfrissen, wassen, spelen, zwemmen …
-Ervaren dat water levengevend en levensnoodzakelijk is voor elke mens: voedsel, groei­kracht, reini­gend, helend …
-Ervaren dat water ook bedreigend en beangstigend kan zijn: wanneer ze kopje onder gaan en naar adem snakken, bij de vernietigende kracht van water (over­stromingen), bij het gevaar van onzuiver of vervuild water
-Beseffen dat water noodzakelijk is voor elk levend wezen
-Aangeven waarom water voor hen zo belangrijk is
-Er zich bewust van zijn dat niet ieder kind kan beschikken over water
-Hun waardering voor water uiten
-Weten wat de gevolgen zijn als mensen niet over voldoende water kunnen be­schikken
-Beseffen dat er ook in de eigen omgeving veel water verontreinigd en verspild wordt
-Bereid zijn om – met hun mogelijkheden – zorg te dragen voor de kwaliteit van het water
-Ontdekken dat water leven geeft (in een fragment uit het verhaal van de Samari­taanse aan de bron: Joh 4)
-In verhalen als ‘de zondvloed’ (Gn 6-8) en ‘Mozes in een mandje op de Nijl’ (Ex 2) ontdek­ken dat mensen de bedreiging van water overleven
-Het verhaal beluisteren van Jezus’ doopsel (Lc 3, 21-22) en van de storm op het meer (Lc 8, 22-25)
-Vernemen dat Jezus spreekt over ‘levend water’ (Joh 4, 10-15)
-In het christendom en in andere godsdiensten rituele handelingen leren kennen, waarin water iets zegt over de band tussen gelovige mensen en God: zegening, besprenkeling, on­der­dom­pe­ling …
-In een viering hun dankbaarheid uitdrukken voor het water en – eventueel – voor hun doopsel
-Ervaren dat mensen soms ‘kopje onder gaan’ en blij zijn dat iemand hen ‘uit het water haalt’
-Weten dat christenen gedoopt worden door overgieten met water of door onder­dom­pe­ling
-Aanvoelen dat er verband is tussen ‘gedoopt worden met water’ en ‘uit het water herboren worden’
-Horen dat een dopeling kan rekenen op de nabijheid van mensen en van God
-Aan de hand van verhalen, foto’s of video andere symbolen van het doopsel verkennen (zal­ving, licht, wit kleed, hand­op­leg­ging …) als levengevende, helende, zorgende gebaren
-De weg van graankorrel tot brood verkennen
-De waarde van brood als basisvoedsel ervaren: brood om van te leven
-Inzien dat elke mens basisvoedsel nodig heeft en er dus recht op heeft
-Waarderen dat wie brood geeft, zichzelf geeft
-Ontdekken wat voor mensen ‘broodnodig’ is
-De betekenis herkennen van de woorden “geef ons heden ons dagelijks brood” in het onzevader
-Zien hoe vaak vrouwen en kinderen moeten zorgen voor het basisvoedsel
-Zien welke vormen van basisvoedsel bestaan bij andere volkeren in de wereld
-Uitwisselen over eetgewoonten en maaltijd houden in eigen gezin, in dat van klas­genoten en in groepen waarin zij verblijven (vakantie, op hotel, op kamp, in een in­ter­naat …)
-Ontdekken hoe mensen bij een maaltijd niet alleen voedsel delen, maar ook erva­ringen en verbondenheid, en op die manier leefgemeenschappen vormen
-Stilstaan bij het belang van de tafel waarrond de maaltijd en het leven zich afspe­len
-Verhalen beluisteren over de betekenis van de maaltijd bij joden (Pascha) en mos­lims (in de Ramadan) … en de plaats van kinderen daarbij
-Verkennen hoe mensen uit andere culturen maaltijd houden, bv. hindoes, volkeren in Afrika …
-Inzien dat mensen nood hebben aan medemensen met wie ze leven kunnen delen
-Het kerkgebouw verkennen, waar christenen samenkomen rond een altaartafel
-Voorwerpen kennen die gebruikt worden in een eucharistie: brood, wijn, hostie, schaal, beker of kelk …
-Het verhaal lezen over het laatste avondmaal van Jezus met zijn leerlingen (Lc 22, 14-20)
-Verhalen beluisteren over Jezus die leven deelt met andere mensen, bv. zijn leerlingen (Lc 5, 1-11), ­vrou­wen (Lc 8, 1-3), Zacheüs (Lc. 19, 1-10) …
-Het verhaal beluisteren over Jezus die kinderen in het midden plaatst (Lc 18, 15-17)
-De verschillende elementen van de eucharistie leren kennen vanuit de betekenis: brood en leven delen met mensen en met Jezus
-Zich mogelijk uitgenodigd voelen om met elkaar en met Jezus brood en leven te delen
-Ontdekken wat het betekent dat Jezus zichzelf geeft als brood
-Ontdekken hoe deelnemen aan de eucharistie ook betekent: een plaatsje krijgen in een grote gemeenschap van de kerk
-Zich oefenen in het delen met elkaar (snoep, eten, gebruiksvoorwerpen, schrijfge­rief …)
-Ontdekken hoe kinderen in verschillende culturen vieren dat zij groeien en dat zij mogen deelnemen aan belang­rijke gebeurtenissen in hun leefgemeenschap
-Nagaan welke belangrijke momenten in het (en hun) leven gevierd wor­den: bv. geboorte, verjaar­dag, huwelijk …
-De eerste communie leren kennen als een belangrijk feest van verbondenheid in het leven van katholieken
-Verbondenheid ervaren met mensen uit hun gezin en omgeving, die aandacht hebben voor hen, bv. door het geven van een cadeautje of het sturen van een kaartje
-Verkennen hoe de tafel en de maaltijd bij hun eerste communie een belangrijke rol spelen
-Gelijkenissen en verschillen ontdekken tussen het samenzijn rond de tafel in de eucharis­tie en rond de tafel van hun eerste communiefeest
-Zich in de personages van het verhaal inleven
-De symbolische betekenis vatten van voorwerpen en situaties die in de verhalen voor­komen
-De tekst verstaan als uitdrukking van geloof, hoop en liefde, door te ontdekken wat er gezegd wordt over de relatie tussen God en mens en tussen mens en wereld
-In de tekst een oproep tot geloof, hoop en liefde vinden
-Hun indrukken in verband met een verhaal tot expressie brengen: in woord, drama, muzi­sche expressie, enz.
-Reflecteren op het gods- en Jezusbeeld dat spreekt uit de verhalen
-Reflecteren op de betekenis van het verhaal voor mensen van vroeger en nu en denken erover na hoe aspecten van de Bijbelse boodschap een invloed kunnen hebben op hun eigen manier van denken, zijn en doen
-De relatie kunnen zien tussen de onderwerpen die in de loop van het jaar aan bod komen en aspecten ervan die in de verhalenreeks ter sprake komen
-Aspecten van de boodschap van een verhaal kunnen actualiseren en in verband brengen met verschillende relatievelden in hun eigen bestaan, in de eerste cyclus gaat het vooral om actua­lisering in de eigen concrete bestaanscontext
-De Advent leren kennen als de tijd waarin christenen zich voorbereiden op Kerst­mis
-De symboliek van de adventskrans verkennen: krans, groen, rood, licht
-Maria leren kennen als moeder van Jezus
-Aandacht hebben voor de adventscampagne Welzijnszorg
-Werken rond het geboorteverhaal van Lucas (Lc 2)
-Een paar eenvoudige kerstliederen zingen
-Werken rond het verhaal over de Wijzen uit het Oosten (Mt 2)
-De kans krijgen om te bidden bij Advent en Kerstmis
-Het contrast tussen donker en licht beleven
-Het verhaal beluisteren over de eerste kerststal (van Franciscus)
-Het verhaal over de traditie van de kerstboom leren kennen
-Zich met de klas inzetten voor een project van de adventscampagne Welzijnszorg
-Het verhaal over het lijden en de dood van Jezus beluisteren in een sobere en serene vertelling
-Het verhaal van het Laatste Avondmaal (Lc 22, 14-20) verkennen
-Beluisteren hoe de leerlingen van Emmaüs Christus herkenden bij het ‘breken van het Brood’ (eu­cha­ristie) (Lc 24, 13-35)
-Pinksteren leren kennen als het feest van de leerlingen die – met de kracht van Jezus’ Geest – ver­tel­len dat Jezus leeft
-Aandacht hebben voor de campagne Broederlijk Delen
-Weten dat vasten voor christenen o.a. betekent: zich iets ontzeggen en soberder leven
-De kans krijgen om te bidden en te vieren rond de dood en de verrijzenis van Jezus
-Weten dat ook de Islam elk jaar een vastenperiode heeft: de ramadan
-In het kader van voorbereiding op eerste communie het verhaal van het Laatste Avond­maal naspelen
-Het verband ervaren tussen dood en nieuw leven in de natuur
-Zich met de klas inzetten voor een project van Broederlijk Delen
-Rond Allerheiligen en Allerzielen stil worden bij de verbondenheid met heiligen en met overle­de­nen uit eigen familie en/of kring
-De kans krijgen om te bidden in verbondenheid met mensen die gestorven zijn
-Met de klas een bezoek brengen aan het kerkhof


Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

Geef een reactie

Ontdek meer van Inhuisonderwijs

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder