Godsdienst tweede cyclus (8-10 jaar) – Leerplandoelen katholiek onderwijs

Hieronder de leerplandoelen Rooms-Katholieke Godsdienst tweede cyclus. De ZILL leerplandoelen voor Godsdienst zijn opgedeeld in 4 cyclussen, waarvan de eerste de kleuters is van 2,5 tot 6 jaar en de tweede de ‘eerste cyclus’ genaamd voor kinderen van 6 tot 8 jaar.
De tweede cyclus loopt van 8 tot 10 jaar.

De algemene leerplandoelen voor kinderen tot 9 jaar kan je hier vinden.
De algemene leerplandoelen voor kinderen tot 10 jaar kan je hier vinden.

Lees deze blogpost voor alle wetgevingen en regels rond huisonderwijs.
In deze blogpost neem ik je bij de hand en vullen we samen de verklaring van huisonderwijs in bij inschrijven van jouw kind voor huisonderwijs.
Wat zijn leerplandoelen, ontwikkeldoelen, onderwijsdoelen?
In deze blogpost zet ik het even allemaal op een rijtje voor jou.

Hoe ga je aan de slag met deze leerplandoelen? Op deze pagina geef ik je de
handleiding voor deze ultieme gids.

Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST TWEEDE CYCLUS

Vertrouwen en wantrouwen, mogelijkheden en beperkingen.
Vergeving en verzoening.

-Ontdekken wat vergeving en verzoening in de Bijbel inhouden
-Ontdekken hoe christenen vergeving en verzoening beleven en uitdrukken
-Aanvoelen en begrijpen wat vergeving is
-Aanvoelen en begrijpen wat verzoening is
Het verdriet dat ze rondom zich zien, onder woorden brengen
Ontdekken dat er verdriet is wanneer zij afscheid moeten nemen (soms ook een kort af­scheid) van mensen met wie ze erg verbonden zijn, of wanneer zij iemand of iets verlie­zen (een men­s, speel­goed, een huis­dier)
Ontdekken dat verdriet ook kan ontstaan in situaties van conflict, eenzaamheid, angst, jaloers­heid, misluk­king, onmacht, echtscheiding, discriminatie, dood, armoede, ziekte, oorlog, alleen-zijn, onbegrip …
Inzien dat wenen, iets uitschreeuwen, niet spreken, niet eten, lusteloos zijn, ziek wor­den … uitingsvormen van verdriet kunnen zijn
Er weet van hebben dat verdriet ook verborgen en weggestopt kan zijn
Hun eigen verdriet – als ze dat wensen – kunnen uitdrukken in tekeningen, boetseer­werk, een tekst …
Dieper ingaan op situaties van verdriet, afhankelijk van wat in de klas ter sprake komt of van gebeurtenissen uit de actualiteit
Kunnen vertellen wie en wat hen helpt als ze verdrietig zijn
Bespreken wat het betekent als mensen zeggen: “dat ik er met iemand over kan praten, lucht al op”
Verhalen lezen (bv. uit kinderboeken) over mensen die elkaar helpen om ver­driet te uiten en te verwerken
Ontdekken hoe mensen in verschillende culturen en godsdiensten omgaan met verdriet
Samen stil kunnen worden en/of bidden in een situatie van verdriet
De zin en het belang ontdekken van solidariteitsacties en zelfhulpgroepen
Verhalen lezen (bv. uit kinderboeken) waaruit blijkt dat mensen het moeilijk hebben wan­neer ze met hun verdriet alleen gelaten worden
Situaties verkennen waarin christenen door handelingen, woorden, symbolen en rituelen hun geloof in Gods nabijheid uitdrukken: uitvaart, ziekenzalving, Aller­heiligen, Goede Vrijdag en Pasen, bedevaarten …
Enkele eenvoudige gebeden bij verdrietsituaties lezen
Ontdekken hoe christenen bij God steun vragen en vinden voor het verwerken van verdriet
Verhalen beluisteren van christenen die zich – individueel of als groep – inzetten om men­sen in verdriet bij te staan: bv. ziekenzorg, vormings­werk voor we­duwen, vor­mingswerk voor echtgescheidenen, reli­gieu­ze ge­meen­schappen …
Op een of andere manier laten blijken dat ze verbonden zijn met mensen in verdriet
Deelnemen aan gebed of viering rond verdriet
Deelnemen aan de concrete inzet van een groep zoals ziekenzorg
Ontdekken dat Jezus verdriet had in bepaalde omstandigheden: Jezus’ verdriet om Lazarus (Joh 11), Jezus’ verdriet om Jeruzalem (Lc 19, 41-48)
Het verhaal over het dochtertje van Jaïrus bespreken (Mc 5, 21-24.35-43)
De betekenis van de uitdrukking ‘in de put zitten’ ontdekken in het verhaal van Jozef (Gn 37, 18-24)
Moeilijke situaties herkennen in het leven van Jezus: door zijn dorpsgenoten verwor­pen (Lc 4, 16-30), door Judas verraden (Lc 22, 3-4), doodsangst en door zijn leerlingen in de steek gelaten (Lc 22, 39-46)
Herkennen hoe God bewogen wordt door het verdriet van zijn volk (Ex 3)

Verbondenheid met zichzelf, anderen, gemeenschappen, natuur en cultuur.
Stil worden bij een tekst, een beeld, een foto, muziek
Stilstaan bij een gebeurtenis uit hun leven
Uitspreken wat er in hen omgaat wanneer ze stil worden en zich bezinnen
Ontdekken dat ze bij stilte en bezinning openkomen voor wat in hun leven belang­rijk is
Bijdragen tot sfeer, stilte, houdingen, … die bezinning mogelijk maken
Aandacht hebben voor hun lichaamshouding tijdens een bezinningsmoment
Actief meewerken aan het creëren van een sfeervol hoekje in de klas waarin ze stil kunnen wor­den bij een beeld, een symbool, voorwerpen uit de natuur, foto’s …
Zien hoe mensen in verschillende godsdiensten bidden
Verschillende gebedshoudingen ontdekken: knielen, handen vouwen, buigen, …
Ontdekken dat bidden kan betekenen: danken, vragen, smeken, loven, klagen, aanklagen, …
Ontdekken dat mensen zowel alleen als samen kunnen bidden
Ervaren en bespreken hoe christenen samen bidden in liturgie en in sacramentele vierin­gen
Ontdekken dat christenen ook bidden tot Maria en tot heiligen als voorsprekers bij God
Een sfeer van eerbied ervaren wanneer mensen bidden
Nagaan welke voorwerpen in verschillende godsdiensten een hulp zijn bij het bidden: een kruisbeeld, een icoon, een meditatiedoek, een gebedenboek, een beeld, een rozen­krans, ge­beds­riemen, een gebedssnoer, kaarsen, wierook …
Nagaan op welke speciale plaatsen mensen samenkomen om te bidden: kerk, moskee, synagoge, tempel, kapel, heilige plaatsen (Lourdes, de Gan­ges, Mekka, e.a.) …
Kennis maken met plaatselijke gebruiken waarbij mensen bidden: bedevaart, heiligen­ver­ering, Ma­riaver­ering, processie …
Ontdekken dat een gebedsformule (Onze Vader, Weesgegroet) voor mensen een hulpmid­del is om tot persoonlijk bidden te komen
Weten dat bidden voor gelovige mensen betekent: vertoeven in Gods aanwezig­heid
In de Bijbel ontdekken hoe Mozes bidt (bv. Ex 15, 1-18; 17, 4-6; 34, 4-9; …)
Nagaan wanneer, waarom, waar en hoe Jezus bidt: in Mc 1, 35-39, in Lc 11, 1-8 en in Lc 18, 9-14
Luisteren naar getuigenissen van mensen over hun bidden
Dieper ingaan op wat bidden is, in bijbelverhalen als 1 K 19 (Elia), Lc 11, 9-13, Lc 22, 42 en Mt 6, 5-15
Beseffen dat bidden niet vrijblijvend is, maar uitnodigt tot inzet
Waardering hebben voor mensen die stil worden en zich bezinnen
Waardering hebben voor mensen die bidden
In de klas tot bezinning of gebed komen, elk volgens eigen levensbeschouwing of geloof
Een gepaste houding vinden om zich te bezinnen of om te bidden
Zich laten helpen door voorwerpen, symbolen, muziek, … om tot bezinning of gebed te komen
Enkele vormen van expressie uitproberen die kunnen hel­pen bij bezinning of gebed: dans, muziek, zang, beeldende expressie …
Vormen van ‘anders zijn’ van mensen verkennen, waar zij mee geconfronteerd worden
Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen
Eigen gevoelens en behoeften uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen (verba­zing, vreug­de, angst, trots, weerstand …)
Luisteren naar anderen over gelijksoortige gevoelens bij de ervaring van anders zijn
Vragen stellen over het anders zijn van anderen
Al spelend ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking
Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten, vooral als deze in de eigen klas aanwezig zijn
Aandacht hebben voor mensen met een handi­cap, vooral als deze in de eigen klas aan­wezig zijn
Bespreken dat in de Koran ook verteld wordt over Abraham, Mozes, Maria, Jezus, maar dat de Koran en de Bijbel hen een verschillende betekenis geven
Ervaren hoe mensen reageren op het anders zijn van mensen
Kennis maken met concrete vormen van ontmoeting, uitsluiten, negeren, samen­werken, tegenwer­ken, verdraagzaamheid, onverdraagzaamheid
Ontdekken waarom het anders zijn van mensen niet door iedereen op dezelfde manier benoemd wordt, vb. gehandicap­ten, andere culturen …
Kerkelijke initiatieven leren kennen waarbij men oproept tot ontmoeting met men­sen die als ‘anders’ beschouwd worden
Ingaan op de invloed van thuis, school, media, sport, vrije tijd, in het kijken naar ‘ande­ren’
Ingaan op de impact van andere godsdiensten op de samenleving
Ingaan op animatiecampagnes van ‘Welzijnszorg’, ‘Broederlijk Delen’ en ‘Missio’ voor zover deze handelen over ‘anders zijn’
Ontdekken hoe God in de Bijbel mensen inspireert in het omgaan met anderen (het verhaal van Ruth)
Ontdekken hoe Jezus met ‘anderen’ omgaat en over hen spreekt, zoals bv. de Syro­feni­ci­sche vrouw, melaat­sen, zieken, de honderdman, de Samaritanen
Ontdekken dat christelijk omgaan met anderen inhoudt dat men kiest voor ont­moeten in plaats van voor uitsluiten, bv. in het verhaal van Cornelius (Hnd 10)
Ingaan op de motivatie voor Jezus’ handelen: alle mensen zijn kinderen van God
Dieper ingaan op de joodse godsdienst en cultuur als basis voor het christendom
Zien dat er altijd een spanning is tussen gelijkheid en verschil
Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeen­komst
De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen
Weten dat christenen proberen te leven vanuit het geloof dat alle mensen Gods kinderen zijn
Er bewust van worden dat ze keuzes moeten maken in het omgaan met de ver­schillen bij anderen
Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen
Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen men­sen
Een evenwicht zoeken tussen opkomen voor de eigenheid en het respect voor anderen
Respect voor de waardigheid van elke mens ondersteunen met enkele artikelen uit de ‘Univer­sele verkla­ring van de rechten van de mens’ en de ‘Universele verklaring van de rechten van het kind’
Verwoorden welke conflicten ze opmerken en/of zelf beleven: conflicten waarin ze zelf betrokken zijn/ conflicten in hun eigen onmiddellijke omgeving: thuis, op school, in de klas … / (fictieve) conflicten in (kinder)programma’s, films, boeken, strips … / conflicten tussen volkeren, culturen, landen, godsdiensten / conflicten binnenin henzelf
Tot besef komen dat samenleven zonder conflicten niet mogelijk is
Ingaan op een actueel conflict (uit de kleine of de grote wereld)
Zien dat er gelijkenissen bestaan tussen ‘grote’ conflicten (die ze op TV zien) en de eigen ruzies op kleine schaal
Ontdekken dat men soms een conflict niet uit de weg moet gaan, bv. in geval van on­recht
Zien dat conflicten kunnen voortkomen uit de confrontatie van belangen, gevoe­lens, behoeften, meningen: kritiek op iets/ verzet tegen iets of iemand/ verschillen in mening/ verschillen in huidskleur, godsdienst of cultuur, die als bedreiging ervaren wor­den … / allerlei persoonlijke gevoelens en behoeften in een situatie/ de moeilijkheid om een keuze te maken/ iets tegen zijn zin moeten doen / concurrentie, tegenstrijdige belangen / tegenstrijdige projecten of plannen/ afgunst, hebzucht / macht of onmacht
Deze oorzaken kunnen terugvinden in hun eigen leven, in de geschiedenis, in de actuali­teit, in de Bijbel
Oorzaken kennen van een conflict uit de actualiteit
Ontdekken dat een conflict meerdere oorzaken kan hebben
Zich kunnen inleven in de wensen, verlangens, gevoelens en behoeften van wie in conflict leeft, en deze kunnen verwoorden
Vaststellen hoe men in concrete conflictsituaties (waarin ze wel of niet betrokken zijn) rea­geert (strategie): het conflict negeren, niet willen/kunnen onder ogen nemen, boos worden, schelden en verwijten, wenen, iemand uitsluiten, in de tegenaanval gaan, koesteren, er steeds opnieuw op terugkomen, zinnen op wraak, praten met elkaar, zoeken naar verzoening, onderscheid maken tussen onrecht en de persoon die onrecht veroorzaakt …
In de Bijbel lezen hoe er op verschillende manieren met conflicten omgegaan wordt (strategieën): Jozef en zijn broers (Gn 37; Gn 43-45)
Onderzoeken hoe Jezus reageert in conflictsituaties: Mt 21, 23-32; Joh 2, 13-17; Joh 8,1-11
In de verschillende voorbeelden nagaan welke stappen bijdragen tot een positieve oplos­sing van een conflict
Inzien dat onmiddellijke reacties en oplossingen meestal zeer ‘wit-zwart’ zijn
Inzien dat een conflict niet opgelost wordt met ‘het gelijk van de sterkste’ of de uitsluiting van een betrokken partij
Doorheen het verhaal van Kaïn en Abel (Gn 4) bewust worden dat God in een conflictsi­tua­tie steeds partij kiest voor de zwakkere, zonder daarbij de andere partij in de steek te laten
Enkele bijbelverhalen extra lezen: bv. het verhaal van Salomo (1 K 3, 16-28), Mozes en Farao(Ex 5), Ps 35
Hun eigen gevoelens en behoeften in verband met bepaalde conflicten verwoorden
Wat afstand kunnen nemen om een conflictsituatie onder ogen te zien
Erkenning kunnen opbrengen voor sommige conflictsituaties en ze daardoor ook wat kunnen relativeren
Een uitweg kunnen zoeken en ook vinden in conflictsituaties
Ontdekken dat goed luisteren heel moeilijk is in een conflictsituatie, maar onont­beer­lijk om tot een oplossing te komen
Zien dat conflicten verwerkingstijd vragen
In de evangelieverhalen die ze kennen ontdekken hoe Jezus mensen oproept om zelf na te denken in conflictsituaties en zich eventueel te bekeren
Zien hoe Jezus een conflict aanpakt door het vertellen van een parabel (aan de hand van de parabels die ze reeds kennen)
In de Bijbel lezen hoe de lange weg van verzoening gebeurt bij Jacob t.a.v. Esau (Gn 33)
Aandacht hebben voor de inspanningen van vredesbewegingen
Aandacht hebben voor actuele vredesonderhandelingen
Vormen van ‘anders zijn’ van mensen verkennen, waar zij mee geconfronteerd worden
Ervaren dat ze zelf gelijken op anderen en verschillen van anderen
Eigen gevoelens en behoeften uitspreken bij de ervaring dat ze verschillen van anderen (verba­zing, vreug­de, angst, trots, weerstand …)
Luisteren naar anderen over gelijksoortige gevoelens bij de ervaring van anders zijn
Vragen stellen over het anders zijn van anderen
Al spelend ontdekken dat verschillen uitnodigen tot samenwerking
Aandacht hebben voor andere culturen/godsdiensten, vooral als deze in de eigen klas aanwezig zijn
Aandacht hebben voor mensen met een handi­cap, vooral als deze in de eigen klas aan­wezig zijn
Bespreken dat in de Koran ook verteld wordt over Abraham, Mozes, Maria, Jezus, maar dat de Koran en de Bijbel hen een verschillende betekenis geven
Ervaren hoe mensen reageren op het anders zijn van mensen
Kennis maken met concrete vormen van ontmoeting, uitsluiten, negeren, samen­werken, tegenwer­ken, verdraagzaamheid, onverdraagzaamheid
Ontdekken waarom het anders zijn van mensen niet door iedereen op dezelfde manier benoemd wordt, vb. gehandicap­ten, andere culturen …
Kerkelijke initiatieven leren kennen waarbij men oproept tot ontmoeting met men­sen die als ‘anders’ beschouwd worden
Ingaan op de invloed van thuis, school, media, sport, vrije tijd, in het kijken naar ‘ande­ren’
Ingaan op de impact van andere godsdiensten op de samenleving
Ingaan op animatiecampagnes van ‘Welzijnszorg’, ‘Broederlijk Delen’ en ‘Missio’ voor zover deze handelen over ‘anders zijn’
Ontdekken hoe God in de Bijbel mensen inspireert in het omgaan met anderen (het verhaal van Ruth)
Ontdekken hoe Jezus met ‘anderen’ omgaat en over hen spreekt, zoals bv. de Syro­feni­ci­sche vrouw, melaat­sen, zieken, de honderdman, de Samaritanen
Ontdekken dat christelijk omgaan met anderen inhoudt dat men kiest voor ont­moeten in plaats van voor uitsluiten, bv. in het verhaal van Cornelius (Hnd 10)
Ingaan op de motivatie voor Jezus’ handelen: alle mensen zijn kinderen van God
Dieper ingaan op de joodse godsdienst en cultuur als basis voor het christendom
Zien dat er altijd een spanning is tussen gelijkheid en verschil
Te midden van alle verschillen op zoek gaan naar elementen van overeen­komst
De waarde en de waardigheid van elke mens erkennen
Weten dat christenen proberen te leven vanuit het geloof dat alle mensen Gods kinderen zijn
Er bewust van worden dat ze keuzes moeten maken in het omgaan met de ver­schillen bij anderen
Aanvoelen dat verscheidenheid een rijkdom met zich kan meebrengen
Leren omgaan met de moeilijkheden die kunnen voorkomen bij verschillen tussen men­sen
Een evenwicht zoeken tussen opkomen voor de eigenheid en het respect voor anderen
Respect voor de waardigheid van elke mens ondersteunen met enkele artikelen uit de ‘Univer­sele verkla­ring van de rechten van de mens’ en de ‘Universele verklaring van de rechten van het kind’
Eigen ervaringen en belevingen in de natuur uitdrukken, zo mogelijk in direct contact met de natuur
Beseffen dat de natuur voor mensen levensnoodzakelijk is, en soms ook bedrei­gend
Verwonderd zijn over de natuur in vele aspecten: schoonheid, nut, bedreiging, verbon­den­heid, relatie mens-natuur …
Verhalen bespreken uit verschillende culturen, waarin de relatie mens-natuur aan bod komt
Aanvoelen hoe ze zelf op verschillende manieren verbonden zijn met de natuur
Uitdrukken wat zij aanvoelen bij beelden uit een natuurdocumentaire (video) of uit boeken over de na­tuur
Kennis maken met de natuur die heel groot of heel klein is (macro- en microkos­mos)
Vaststellen dat mensen ook zonder respect omgaan met de natuur
Het verhaal van de schepping in Gn 1, 1 – 2, 4a lezen en bespreken in dit verhaal
Ontdekken dat God gezien wordt als ‘Schepper’ van alles wat leeft
In dit verhaal volgende aspecten ontdekken: samenhang en harmonie in de schepping, het geschenk-karakter van de schepping, de eigen plaats van de mensen als beeld van God, de schepping als plaats waar mensen sporen vinden naar God, de Geest als scheppende kracht van God
Weten wat christenen bedoelen in de geloofsbelijdenis met de woorden “Ik geloof in God, de al­mach­ti­ge Vader, Schep­per van hemel en aarde”
Ontdekken dat Jezus zijn verbondenheid met God en met zijn leerlingen uitdrukte met beelden van verbondenheid met de natuur: vogels en bloemen (Lc 12, 22-31), wijnstok en ranken (Joh 15, 1-8)
Franciscus van Assisi leren kennen als iemand die sterk verbonden leefde met God via de schep­ping, bv. aan de hand van het ‘Zonnelied’
De kans krijgen om in gebed en/of viering t.a.v. de Schepper hun dankbaarheid uit te drukken voor de schep­ping
Het ‘Zonnelied’ van Franciscus zingen
Een scheppingspsalm lezen (bv. Ps 104)
Uit een vormeloze blok klei iets nieuws (orde) scheppen
Stil staan bij het verschil tussen mens en dier
Zich bewust worden van de ongelooflijke mogelijkheden van de mens in de natuur
In Gn 2, 18-20 lezen wat het betekent dat de mens namen geeft
In Gn 1, 26-28 lezen wat het betekent dat de mensen ‘beeld van God’ genoemd wor­den
Ps 8 lezen
Zich samen met anderen verantwoordelijk voelen voor de natuur, die zelf niet voor haar rechten kan opko­men
Zien hoe mensen en organisaties zich inspannen om de natuur te behoeden
In het scheppingsverhaal van Gn 1 lezen hoe God de schepping aan de mensen heeft toever­trouwd
Verhalen uit andere culturen of godsdiensten horen over eerbied voor de natuur
Ontdekken hoe ze – thuis en op school – kunnen deelnemen aan de zorg voor de natuur
Zien hoe de zorg voor de natuur ook inhoudt: een eerlijke verdeling van de vruchten van de aarde onder alle mensen
Zien hoe mensen soms op een ontoelaatbare manier grenzen overschrijden in het ‘gebrui­ken’ van de natuur
Met de klas deelnemen aan een project van een organisatie die zich inzet voor de natuur­
In sommige campagnes van ‘Broederlijk Delen’ of van andere organisaties het aspect ‘zorg voor de natuur’ leren kennen

Gevoeligheid voor goed en kwaad.
Zien en bespreken hoe volgens hen mensen ‘goed’ of ‘kwaad’ handelen: thuis, op school, in TV-pro­gramma’s, in de jeugdbeweging, in de buurt …
Vaststellen dat eenzelfde handelen zowel goede als kwade effecten kan hebben
Vaststellen dat eenzelfde handeling door de ene mens als goed beschouwd wordt, door een andere als kwaad en door nog een andere als goed en kwaad
Vaststellen dat handelen soms een ander effect heeft dan wat men bedoeld heeft
Zien dat mensen over ‘goed’ en ‘kwaad’ verschillend oordelen naar gelang van de cultuur, de tijdsgeest, de traditie, de omstandigheden
Bespreken hoe mensen (ook volwassenen) zich onverantwoord gedragen: in de omgang met andere mensen (bv. pestgedrag), in het verkeer, in verband met het milieu …
Zien hoe mensen iets goeds kunnen doen voor een ander, ook zonder er iets voor terug te vragen
Zoeken vanuit welke motieven zij handelen: niet anders durven, doen wat anderen zeggen, goedkeuring verwachten, de wet volgen, goed gezind zijn, geraakt worden door verdriet of pijn, deugd hebben aan iets …
Bespreken wanneer zij een keuze moeten maken bij hun handelen en verwoorden hoe zij zich daarbij voelen
Zich in het standpunt van een ander kunnen verplaatsen om te zien wat voor die persoon ‘goed’ is
Kunnen rekening houden met het aanvoelen van verschillende mensen in het afwegen of iets ‘goed’ of ‘kwaad’ is
Wetten, reglementen en afspraken zien als een hulp om ‘goed’ te kunnen handelen
Ontdekken dat het ‘geweten’ in elke mens aanwezig is als een impuls om ‘goed’ te hande­len
Ontdekken dat ook in hen een geweten hen aantrekt om goed te handelen
Onderzoeken wat als ‘goed’ of ‘kwaad’ beschouwd wordt in reclame, in films, in jeugdboe­ken … en wat zij hiervan overnemen
Verhalen beluisteren over mensen die gewetensvol of gewetenloos handelen
De ’tien woorden’ (Ex 20, 1-17) lezen als wegwijzers voor een zinvol leven
Vertellenderwijs het verbond tussen Jahwe en zijn volk leren kennen als achter­grond voor de ’tien woorden’
Ontdekken hoe belangrijk de band met God is in de keuzes die Jezus maakt: in woord (de barmhartige Samaritaan: Lc 10, 25-37 – dus ook 25-29), in daad (via terugblik op de door kinderen reeds gekende verhalen)
In het boek Jona ontdekken hoe een mens het moeilijk kan hebben met wat God vraagt
Een verhaal lezen waarin opgeroepen wordt om eerlijk te handelen (voorbeeld: David en Batseba, 2 S 11- 2 S 12,13)
Het verhaal lezen over het ‘aren plukken op sabbat’ en over ‘de toonbroden’ (Mc 2, 23-28) als voorbeeld van gewetensvol handelen
Concrete situaties oproepen, bekijken en bespreken waarin ze moesten kiezen tussen verschillende mogelijkheden van handelen
Oog hebben voor de context waarin men handelt en die kunnen verwoorden
Concrete situaties oproepen, bekijken en bespreken waarin ze gedaan hebben wat ze aanvoelden als ‘goed’
Concrete situaties oproepen, bekijken en bespreken waarin ze wel goed weten wat er te doen is, maar waar ze er niet in slagen dit ook te doen
Stilstaan bij de gevoelens die hun handelen bij henzelf oproept: voldoe­ning, ­vreug­de, trots, spijt, angst, wrang gevoel, schaamte, schuld …
Kennis maken met mensen (van vroeger en nu, uit verschillende godsdiensten en levens­beschouwingen) bij wie duidelijk werd hoe zij gewetensvol handelen
Ontdekken dat gelovige mensen proberen hun handelen af te stemmen op hun geloof in God die voor elke mens het goede wil
Ontdekken dat het gewetensvol handelen van christenen gevoed wordt door de liefde voor elke mens, of deze nu een vriend, een vreemdeling of een vijand is
Op zoek gaan naar de motivatie voor het handelen van instellingen of groepen, die zich verantwoordelijk voelen voor mensen in nood
Zien hoe ze niet alleen elk voor zich, maar ook als groep de verantwoordelijkheid hebben om gewetensvol te handelen
Bespreken wat het betekent: mede-verantwoordelijk te zijn
Bespreken wat het betekent: zijn geweten sussen, zijn geweten laten spreken, een kna­gend geweten …

Openkomen voor geloofstaal, symboliek en rituelen.
Er zich van bewust zijn dat ze elke seconde van hun leven ademen
Ervaringen uit hun leven verwoorden, waarin ‘adem’ een grote rol speelde en/of waar ademen moeilijk was
Ontdekken dat er gezonde en ongezonde lucht is om in te ademen
Verbondenheid beleven met alles wat ademt
Mensen en organisaties kennen die ijveren voor gezonde lucht
Meewerken aan een actie voor gezonde lucht
Uitdrukkingen begrijpen die met ademen te maken hebben: op adem komen, in adem­nood Zitten, naar adem snakken, lucht happen, opgelucht ademen, een luchtje scheppen …
Via ademhalingsoefeningen ervaren hoe een regelmatige ademhaling goed doet
De symbolische betekenis kunnen verwoorden van gezonde en ongezonde lucht inade­men, levens­adem, nieuw leven inblazen, een gezonde en ongezonde geest
De symbolische betekenis kunnen verwoorden van uitademen als ‘iemand of iets nieuw leven inblazen’ of ‘iemand of iets een tweede adem geven’
De betekenis van de ‘levensadem’ van God ontdekken in het Paradijsverhaal (Gn 2, b-25) als het geven van leven aan de mens
De ‘levensadem’ van God kennen als synoniem voor Gods Geest
Kennis maken met een verhaal uit een andere religie, waarin lucht, adem en wind een belang­rijke rol spelen
De betekenis van ‘adem’ vatten in Ps 104, 29-30
Weten dat in het Nieuwe Testament de ‘levensadem’ van God ‘Geest van God’ genoemd wordt
In Ez 37, 1-14 ontdekken hoe Gods adem nieuw leven inblaast bij mensen
Weten hoe Jezus ‘levensadem’ vindt bij God: in de stilte, op een berg …
In het pinksterverhaal lezen hoe Gods Geest nabij is in een ‘hevige wind’ (Hnd 2, 1-39)
Weten hoe religieuze gemeenschappen zich voeden aan Gods Geest
Houdingen, woorden en gebaren zoeken om in contact te komen met Gods levens­adem
Liederen zingen waarin Gods levensadem bezongen wordt (schepping, Pinksteren)
Weten hoe mensen in andere godsdiensten contact zoeken met een ‘goddelijke’ levens­adem (bv. yoga in het Hindoeïsme)
Weten hoe Jezus gedreven werd door de Geest (Mc 1, 12-13)
Weten wat in Gal 5, 16-24 ‘de vrucht van de Geest’ genoemd wordt
Mensen en organisaties kennen die vanuit hun verbondenheid met God ijveren om men­sen een ‘nieuwe adem’ te schenken
De eigen inzet van religieuze gemeenschappen leren kennen: leven vanuit Gods Geest en le­ven voor men­sen
Voorbeelden vinden van de wijze waarop de kerkgemeenschap de levensadem van God vindt in de zondagsliturgie
Verkennen hoe ze dagelijks leven van de vruchten van de aarde: voeding, grond­stof­fen, energie, nabijheid van mensen, dieren …
Zich ervan bewust worden dat alles – ook de mens – aarde is en van de aarde voortkomt
Gevoelig worden voor het wonder van de vruchtbaarheid in het vele dat de aarde biedt
Hun dankbaarheid voor de vruchtbare rijkdom van de aarde tot expressie brengen
Ervaren dat bezig zijn met de aarde allerlei gevoelens kan oproepen (aange­name en onaangename), bijvoorbeeld spelen met zand, planten van bloembol­len, in de modder val­len …
Op een creatieve manier hun waardering uitdrukken voor de vruchtbaarheid van de aarde, vooral gebruik makend van elementen uit de schepping (klei, bloemen, blade­ren, vruch­ten …)
Gedichten en teksten lezen over de vruchtbaarheid van de aarde
Vernemen dat volkeren van alle tijden zich hebben verwonderd over de vruchtbare aarde
Vernemen dat volkeren van alle tijden uitdrukking hebben gegeven aan hun ver­won­dering door verhalen, beelden, rituelen, dansen …
Ontdekken dat volkeren hun verwondering op zeer verschillende manieren hebben beleefd en uitgedrukt
Ontdekken dat alle levensbeschouwingen en godsdiensten nadenken over de be­stemming van de vruchten van de aarde
Een gelovige en niet-gelovige kijk op de vruchtbaarheid van de aarde met mekaar verge­lijken
De betekenis ontdekken van het beeld dat de mens geboetseerd is “uit stof van de aarde”
In dat verhaal een sterke verwantschap ontdekken tussen de mens en de vruchtbare aarde
Ontdekken hoe in dat verhaal verteld wordt over de nabijheid van God bij de mens
Ontdekken hoe in dat verhaal verteld wordt over de nabijheid tussen mensen
In dat verhaal lezen hoe de vruchten van de schepping bestemd zijn voor dé mens, dit betekent: elke mens
De scheppingsgedachte van Gn 2 herkennen in Dt 6, 10-12
Het scheppingsgeloof herkennen in Ps 104 en/of in Ps 150
Ontdekken wat Jezus bedoelde met het Rijk Gods in de gelijkenis van het zaad: de gelijkenis van het zaaien (Mc 4, 1-20), de gelijkenis van de boer die slaapt (Mc 4, 26-29), de gelijkenis van het mosterdzaadje (Mc 4, 30-33)
De betekenis van deze gelijkenissen terugvinden in allerlei kunstwerken (beeldende kunst, liederen, gedichten …)
Ontdekken dat mensen tekens gebruiken (voorwerpen en woorden die naar iets anders verwij­zen): als ze iets vlug en duidelijk willen zeggen (bv. verkeerstekens), als ze verschillende talen spreken (bv. logo’s),als men te veel woorden nodig zou hebben om iets uit te leggen (bv. in een ge­bruiksaan­wijzing)
Vertellen over voorwerpen die voor hen belangrijk zijn: een herinnering aan iemand of iets, een sou­venir van een kamp of een reis, een knuffel, een voorwerp dat ze op hun kamer bewa­ren, een symbool op een uniform …
Ontdekken dat voorwerpen een symbolische waarde hebben omdat ze meer dui­delijk maken dan wat onder woorden te brengen is: als woorden te kort schieten (bv. i.v.m. per­soon­lijke gevoelens)
Ontdekken dat er verschillende soorten symbolen zijn: woorden, voorwerpen, handelin­gen of geba­ren
Ontdekken dat symbolen de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen ook dichterbij brengen
Zich bewust worden van niet-authentieke symbolen in reclameboodschappen
Symbolen ontdekken voor belangrijke waarden (bv. liefde)
Creatief bezig zijn met de vier oerelementen, die een belangrij­ke symbolische waarde hebben: aarde, water, lucht, vuur
Ontdekken dat symbolen soms hevige gevoelens oproepen, vooral in een confron­tatie (bv. kleuren van een voetbalploeg)
Zien dat misverstanden kunnen ontstaan wanneer mensen elkaars symbolen niet ver­staan
Voorbeelden geven wanneer ze verlegen waren om symbolen aan anderen te tonen
Zien dat symbolen een negatieve uitwerking kunnen hebben, bv. aanzetten tot geweld of racisme
In een symbool tot expressie kunnen brengen wat diep in hen leeft
Ontdekken dat symbolen een grote rol spelen bij gelovige en niet gelovige men­sen
Ontdekken dat Joden en christenen gemeenschappelijke symbolen hebben om over God te spreken, bv. bran­dend braam­bos, vader, herder, zachte bries
De symbolische betekenis ontdekken van landschappen en plaatsen in verschillen­de godsdiensten en levensbeschouwingen, bv. berg, woestijn, Jeruzalem, Mekka, de Ganges
In het Jozefverhaal de betekenis ontdekken van de zeven vette en de zeven magere jaren (Gn 41)
Enkele voorbeelden van de getallensymboliek van de Joden begrijpen, bv. 3, 5, 7, 12, 40
Weten dat Joden geen beelden maken van God
Weten dat de Islam huiverig staat bij het gebruik van beelden voor Allah
Symbolen en symboolhandelingen kennen, die christenen hanteren in hun com­municatie over geloven: bv. een kruis, de paaskaars, breken en delen van brood, zalven met olie, gebedshoudingen …
De betekenis ontdekken van symboliek van/in het kerkgebouw, bv. de platte­grond
De betekenis ontdekken van symboliek in de liturgie, bv. de liturgische kleuren
Aan mensen vragen welke symbolen helpen om hun geloven te bele­ven en uit te druk­ken
De betekenis van symbolen en beelden ontdekken in kunstwerken over God, Jezus, geloven, de kerk … (zowel beeldende kunst als muziek)
Ontdekken dat symbolen maar begrepen kunnen worden door mensen die het verhaal erachter kennen
Ontdekken hoe mensen zich verzamelen rond symbolen, bv. sportploeg, jeugd­beweging, een school, politieke groepen, actiegroepen, kerken
Zien hoe in verschillende godsdiensten mensen gemeenschap vormen rond sym­bolen
Zien hoe christenen gemeenschap vormen rond hun symbolen, bv. bij sacramen­tele vierin­gen, op feestdagen …
Zien hoe symbolen mensen ook kunnen afzonderen
Ontdekken dat symbolen niet vrijblijvend zijn, maar oproepen tot waarden en houdingen die ermee overeen­komen, bv. eigen stijl van een jeugdbeweging
Zich in de personages van het verhaal inleven
De symbolische betekenis vatten van voorwerpen en situaties die in de verhalen voor­komen
De tekst verstaan als uitdrukking van geloof, hoop en liefde, door te ontdekken wat er gezegd wordt over de relatie tussen God en mens en tussen mens en wereld
In de tekst een oproep tot geloof, hoop en liefde vinden
Hun indrukken in verband met een verhaal tot expressie brengen: in woord, drama, muzi­sche expressie, enz.
Reflecteren op het godsbeeld dat spreekt uit de verhalen
Reflecteren op de betekenis van het verhaal voor mensen van vroeger en nu en denken erover na hoe aspecten van de Bijbelse boodschap een invloed kunnen hebben op hun eigen manier van denken, zijn en doen
De relatie kunnen zien tussen de onderwerpen die in de loop van het jaar aan bod komen en aspecten ervan die in de verhalenreeks ter sprake komen
Aspecten van de boodschap van een verhaal kunnen actualiseren en in verband brengen met verschillende relatievelden in hun eigen bestaan, voor de tweede cyclus ligt hierbij het accent vooral op het relatieveld ‘jij – ik – jij’
Het groen van de adventskrans zien als een verwijzing naar hoop op leven
Het groeiende licht van de vier kaarsen zien als een groei naar het feest van de geboorte van Jezus, het Licht in de wereld
De vier adventskaarsen koppelen aan de vier zondagen vóór Kerstmis
Jezus leren kennen als ‘Licht voor de wereld’ (via verhalen, kunstwerken, afbeel­dingen)
De herders uit het kerstverhaal leren kennen als mensen in de marge, vergelijk­baar met de ‘armen’ van vandaag
De wijzen uit het Oosten leren kennen als vertegenwoordigers van de toenmalig gekende grote wereld, voor wie Jezus geleefd heeft
De adventscampagne Welzijnszorg leren kennen als een actie die licht wil bren­gen in het leven van mensen van de ‘vierde wereld’
Een getuigenis beluisteren van iemand die zich inzet voor mensen van de ‘vierde wereld’
Zich met de klas inzetten voor een project van Welzijnszorg
De symboliek van het askruisje leren kennen
Het getal 40 kennen als symbool voor tijd van voorbereiding, bezinning, verwach­ting, losla­ten (40 jaren / dagen in de woestijn)
Het verband zien tussen de bedoeling van de Veertigdagentijd en de concrete actie rond Broederlijk Delen
Extra kansen krijgen tot bezinning (bv. aan de hand van een vas­ten­ka­len­der), in klasver­band of met de hele school
De Veertigdagentijd en de Ramadan met elkaar vergelijken (in wat gelijk is maar ook in wat eigen is)
Voor zichzelf een manier vinden om soberder te leven
Organisaties kennen die aandacht hebben voor mensen in de 3e wereld
Actief meedoen met een project voor Broederlijk Delen, dat door de school is opge­zet
De symboliek van Palmzondag verkennen
De voetwassing als een beeld zien van dienstbaarheid van christenen (Witte Donderdag)
Het breken van het brood en het drinken van de wijn (Witte Donderdag) herken­nen in de eucharistie
Zien waarom het kruis een teken is dat verwijst naar dood (Goede Vrijdag) én naar verrij­zenis (Pasen)
De kans krijgen om de Goede Week biddend en/of bezinnend te beleven
Op een creatieve manier met symbolen uit de Goede Week omgaan: palmtakken (intrede van Jezus in Jeruzalem), palmpasen (gehele Goede Week)
Enkele liederen zingen die bij de dagen van de Goede Week aansluiten
Belangrijke symbolen uit de Paaswake (vuur, paaskaars, water, witte of gouden kleur) leren kennen als tekens van leven en verrij­ze­nis
Belangrijke symbolen in het verhaal van Hemelvaart (wolk, berg, engel) leren kennen als verwij­zin­gen naar Jezus’ leven in Gods nabijheid
Belangrijke symbolen in het verhaal van Pinksteren (vuur, wind, verschillende talen, levens­adem) leren kennen als tekens van leven in de kracht van Gods Geest
De kans krijgen om te bidden bij de verrijzenis van Jezus
Op een creatieve manier met symbolen van Pasen omgaan: licht, kaarsen, paas­eieren (kiem van leven), klok­ken (als teken van Blijde Boodschap)
Creatief werken rond nieuw leven, lente
Paasliederen zingen
‘Heiligen’ leren kennen als christenen van vroeger, die vandaag nog als voorbeeld kunnen gesteld worden
Met mekaar spreken over tekens die de verbondenheid uitdrukken met mensen uit eigen kring (familie) die gestorven zijn
De kans krijgen om in stilte, in gebed en in tekens de verbondenheid uit te druk­ken met mensen die gestorven zijn
Hun eigen patroonheilige kennen
Iets vernemen over het leven van de patroonheilige van de school en/of de paro­chie


Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

Geef een reactie

Geef een reactie

Ontdek meer van Inhuisonderwijs

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder