Hieronder de ZILL leerplandoelen tot 9 jaar.
De leerplicht geldt vanaf 5 jaar en dus zullen de leerplandoelen een houvast en leidraad kunnen bieden in het toewerken naar de eindtermen basisonderwijs.
Vorige:
Algemene leerplandoelen tot 7 jaar.
Algemene leerplandoelen tot 8 jaar.
Leerplandoelen Godsdienst eerste cyclus (6-8 jaar).
Lees deze blogpost voor alle wetgevingen en regels rond huisonderwijs.
In deze blogpost neem ik je bij de hand en vullen we samen de intentieverklaring in bij inschrijven van jouw kind voor huisonderwijs.
Wat zijn leerplandoelen, ontwikkeldoelen, onderwijsdoelen?
In deze blogpost zet ik het even allemaal op een rijtje voor jou.
Hoe ga je aan de slag met deze leerplandoelen? Op deze pagina geef ik je de handleiding voor deze ultieme gids.
Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.
(4-9jaar)
TAALONTWIKKELING
Taalbeschouwing Nederlands.
-Woorden in een zin onderzoeken en daarbij de term ‘woord’ kennen en gebruiken
-Het gebruik en de vorming van verkleinwoorden onderzoeken, en daarbij de term ‘verkleinwoord’ kennen en gebruiken
(5-9jaar)
TAALONTWIKKELING
Taalbeschouwing Nederlands.
-Nieuwe woorden en hun betekenissen onderzoeken:
*de samenhang tussen woorden en de voorwerpen
*handelingen en kenmerken waarnaar woorden verwijzen
*eenvoudige verbanden tussen woordbetekenissen
-Verbanden tussen woordbetekenissen waarnemen en er zich over verwonderen
-Inzetten van woordleerstrategieën op initiatief van en met hulp van de leraar:
*de betekenis afleiden uit de context
*woordstructuren analyseren
*betekenis onderhandelen met een medeleerling of leraar
*thuistaal inzetten
*een afbeelding zoeken
-Klanken in woorden onderzoeken, en daarbij de term ‘klank’ kennen en gebruiken:
*discrimineren, analyseren, synthetiseren, vervangen van klanken in een woord
*nadenken over begin-, midden- en eindklanken in een woord
*nadenken over de uitspraak van klanken in een woord
-Woorden die hetzelfde klinken (rijm) onderzoeken, en daarbij de term ‘rijm’ kennen en gebruiken
MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische geletterdheid.
-Het samenspel ervaren tussen muzisch beschouwen en creëren – actief kansen grijpen om intens te beschouwen en ervaren hoe dit het creëren voedt
ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Onderzoekscompetentie.
-Een aanpak bijsturen na onderzoek.
(6-9jaar)
TAALONTWIKKELING
Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.
-Steeds complexere talige en niet-talige boodschappen, afgestemd op interesse, leefwereld en leesniveau, verwerken
-Inzetten van leesstrategieën op initiatief van en met hulp van de leraar:
*voorspellen
*visualiseren
*verbinden met voorkennis over het onderwerp, over tekstsoort en teksttype
*nadenken over woordbetekenissen
*terugblikken en herlezen
*een schema maken op basis van de boodschap
*leesgedrag afstemmen op leesdoel
*begrip controleren
*samenvatten
-Met hulp van de leraar de vragen van het communicatiemodel inzetten bij het verwerken van een boodschap
-Met hulp van de leraar nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het verwerken van een boodschap
-Aandacht besteden aan de structuur van de boodschap:
*ontdekken dat je onbewust regels gebruikt om een zin te maken
*ontdekken hoe teksten worden gestructureerd
*toepassen van inzichten over zins- en tekststructuur in eigen boodschappen
-Aandacht besteden aan lay-out en beeldende elementen:
*ontdekken welke invloed lay-out en beeldende elementen hebben bij het ‘lezen’ van boodschappen
*toepassen van inzichten over de rol van lay-out en beeldende elementen in eigen boodschappen
-Aandacht besteden aan spelling en interpunctie:
*ontdekken dat correcte spelling en interpunctie het begrijpen van de inhoud van de schriftelijke boodschap beïnvloeden
*toepassen met hulp van de leraar of medeleerlingen van inzichten over spelling en interpunctie in eigen boodschappen
Taalbeschouwing Nederlands.
-Klanken herkennen als klinkers, medeklinkers, (on)gedekte klinkers, tweeteken- en meertekenklanken
-Een zin herkennen, ook als het een verkorte zin is, en daarbij de term ‘zin’ kennen en gebruiken
-Tekstsoorten en teksttypes (zowel mondelinge als schriftelijk) onderzoeken, en daarbij de term ‘tekst’ kennen en gebruiken
-Fictie en non-fictie onderzoeken, en daarbij de termen ‘fictie’ en ‘non-fictie’ kennen en gebruiken
-Het gebruik van bladzijde en regel onderzoeken, en daarbij de termen ‘bladzijde’ en ‘regel’ kennen en gebruiken
-Signaalwoorden en verwijswoorden die belangrijk zijn in de boodschap waarnemen en er zich over verwonderen
-Samenhang in de structuur van de boodschap onderzoeken:
*inleiding, midden en slot, en daarbij de termen ‘inleiding’, ‘midden’ en ‘slot’ kennen en gebruiken
*titel en kopje, en daarbij de termen ‘titel’ en ‘kopje’ kennen en gebruiken
*hoofdstukken, en daarbij de term ‘hoofdstuk’ kennen en gebruiken
-Het alfabet onderzoeken:
*nadenken over het gebruik van alfabetische ordening
*het alfabet kennen en daarbij de term ‘alfabet’ kennen en gebruiken
*alfabetisch rangschikken op eerste en/of tweede letter in functie van eigen ordeningssystemen
-Muntstukken en biljetten onderscheiden en benoemen
-Wisselen van biljetten en muntstukken in betekenisvolle situaties
-Samenstellen van bedragen in betekenisvolle situaties
-Rekenen met geld en gepast betalen op verschillende manieren in eenvoudige betekenisvolle situaties
-De afkortingen/symbolen euro, EUR, € kennen en gebruiken
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN.
Logisch en wiskundig denken.
-Eenvoudige gegevens wiskundig vertalen
-Eenvoudige typevraagstukken (met de vier basisbewerkingen) over gekende leerinhouden oplossen
-Eenvoudige typevraagstukken over één grootheid (lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, geldwaarden, temperatuur, hoekgrootte) oplossen
-Eenvoudige problemen zoals rekenraadsels, breinbrekers en andere wiskundige problemen met betrekking tot getallen, meten en meetkunde oplossen, oplossingen onderzoeken, vergelijken, bijsturen, beargumenteren, bespreken en daarbij wiskundige heuristieken ontdekken, kennen en gebruiken zoals
*veronderstellen
*proberen en controleren
*een tekening maken
*omgevingsmateriaal gebruiken
*naar analogie werken
*patronen zoeken in gegevens
*lijsten of tabellen gebruiken
*noodzakelijke en overbodige gegevens onderscheiden
*elimineren
-Oorzaak-gevolg/als-dan relaties ervaren in concrete situaties en daarbij woorden als, dan gebruiken
-De betekenis van niet, en, of ervaren in concrete situaties en deze woorden gebruiken
-Een eenvoudig algoritme toepassen om een specifieke taak op te lossen of een doel te bereiken zoals bij een bouwplan en een recept
-Een eenvoudig algoritme opstellen, toepassen en controleren zoals een te volgen route programmeren
Getallenkennis.
-Onderzoeken en vaststellen van kommagetallen in betekenisvolle situaties zoals bij geld
-Kommagetallen met hoogstens twee decimalen lezen om geldwaarden in euro te begrijpen
MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Grootmotorisch bewegen.
-De functionele kracht van het lichaam ontwikkelen – fysieke inspanningen aan een lage intensiteit langer volhouden – meerdere, afwisselende inspanningen van korte duur die na elkaar plaatsvinden volhouden – na inspanningen recupereren
MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediageletterdheid.
-Steeds complexere mediacontent via mediamiddelen voor een publiek overbrengen:
*onderwerpen uit de eigen leefwereld
*abstractere schoolse en zakelijke onderwerpen
*bekende onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Met de hulp van de leraar mediakundige strategieën inzetten:
*voorkennis activeren
*ideeën genereren
*essentiële informatie selecteren
*rekening houden met het zenddoel
*aandacht hebben voor een verzorgde vormgeving in functie van het doel
*…
-De betekenis van complexere mediacontent in de eigen klas- en leefomgeving verwerken en daarbij woorden die verbonden zijn aan media en de omgang ermee gebruiken
-Steeds strategischer te werk gaan met hulp van de leraar om mediacontent te ontvangen door:
*voorspellen
*hoofd- en bijzaken onderscheiden
*voorkennis inzetten
*relaties in de content ontdekken (oorzaak-gevolg, middel-doel, deel-geheel, …)
(7-9jaar)
TAALONTWIKKELING
Mondelinge taalvaardigheid Nederlands.
-Verwerken van steeds complexere boodschappen waarvan het onderwerp bekend is door:
*tweezijdig (kijk)luisteren: de leerling kan vragen om herhaling, om een trager spreektempo, om uitleg bij zaken die hij niet begrijpt
*eenzijdig kijkluisteren: de leerling maakt gebruik van een combinatie van woord en beeld, maar kan niet interageren met de boodschap(per)
-Met hulp van de leraar luisterstrategieën steeds strategischer inzetten:
*verbinden met voorkennis over tekstsoort of teksttype
*een schema maken op basis van de boodschap
*vragen bedenken bij de boodschap
*luistergedrag afstemmen op het luisterdoel
*samenvatten
-Met hulp van de leraar de vragen van het communicatiemodel inzetten bij het verwerken van een boodschap
-Met hulp van de leraar nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het verwerken van een boodschap
-Boodschappen overbrengen met
*gepaste woordkeuze en correcte zinsbouw
*duidelijke chronologie
*lichaamstaal of beeldende elementen ter ondersteuning van de boodschap
-Steeds complexere boodschappen voor een gevarieerd luisterpubliek (leeftijdsgenoten en vooral bekende volwassenen) overbrengen:
*onderwerpen uit de leefwereld
*abstractere schoolse en zakelijke onderwerpen
*bekende onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Inzetten van spreekstrategieën op initiatief van en met hulp van de leraar:
*ideeën genereren
*informatie verzamelen in functie van de boodschap
*spreekgedrag afstemmen op het spreekdoel
*de verwachtingen van de luisteraar(s) inschatten
*hulpbronnen inschakelen om de spreekopdracht voor te bereiden of uit te voeren
*eigen boodschappen beoordelen naar vorm en inhoud
-Met hulp van de leraar de vragen van het communicatiemodel inzetten bij het overbrengen van een boodschap
-Met hulp van de leraar nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het overbrengen van een boodschap
-Gesprekken voeren met leeftijdsgenoten en bekende volwassenen over onderwerpen uit de leefwereld, over abstractere schoolse onderwerpen, over bekende onderwerpen uit de ruimere omgeving:
*luisteren naar de mening van anderen, doorvragen als je iets niet begrijpt, vragen naar de mening van anderen, een eigen standpunt verduidelijken …
*bij het onderwerp blijven, een gesprekslijn vasthouden, respectvol reageren op elkaars mening …
*de grote lijnen in een gesprek weergeven
Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.
-Eenvoudige boodschappen voor zichzelf of leeftijdsgenoten schrijven:
*onderwerpen uit de leefwereld
*abstractere schoolse onderwerpen
*bekende onderwerpen uit de ruimere omgeving
-Inzetten van schrijfstrategieën op initiatief van en met hulp van de leraar:
*ideeën genereren
*informatie verzamelen in functie van de boodschap
*schrijfgedrag afstemmen op het schrijfdoel
*de verwachtingen van het lezerspubliek inschatten
*hulpbronnen inschakelen om de schrijfopdracht voor te bereiden of uit te voeren
*een schrijfproduct nalezen en enkele opmerkingen over inhoud en/of vorm formuleren
-Boodschappen schrijven met
*afgebakende zinnen
*duidelijke chronologie
*relatie tussen beeld en tekst
*steeds minder typische spreektaal
-Schrijven ervaren als een proces van oriënteren, plannen, formuleren en reviseren
-Met hulp van de leraar de vragen van het communicatiemodel inzetten bij het overbrengen van een boodschap
-Met hulp van de leraar nadenken over aspecten van het taalsysteem in functie van het overbrengen van een boodschap
Taalbeschouwing Nederlands.
-Met hulp van de leraar boodschappen in betekenisvolle situaties die nauw aansluiten bij de leefwereld waarnemen en er zich over verwonderen aan de hand van de vragen van het communicatiemodel
-Bij het nadenken over het communicatiemodel volgende termen kennen en gebruiken:
*spreker, schrijver
*luisteraar, lezer
-Zelfstandige naamwoorden waarnemen en er zich over verwonderen:
*woorden herkennen die een zelfstandigheid aanduiden zoals een persoon, een ding, een dier op een plant
*woorden herkennen die een ‘unieke’ zelfstandigheid aanduiden zoals een bepaalde persoon, een bepaald ding, een bepaald dier of een bepaalde plant
*meervoudsvorming van zelfstandig naamwoorden waarnemen en er zich over verwonderen
-Lidwoorden waarnemen en er zich over verwonderen:
*ontdekken welk lidwoord bij een zelfstandig naamwoord past
-Bijvoeglijke naamwoorden waarnemen en er zich over verwonderen:
*woorden herkennen die een kenmerk van iemand of iets aanduiden
*de plaats en het gebruik van een bijvoeglijk naamwoord in een woordgroep waarnemen
*de vorming van de trappen van vergelijking waarnemen en er zich over verwonderen
-Werkwoorden waarnemen en er zich over verwonderen:
*ontdekken dat een werkwoord meestal een handeling, actie, toestand of gebeurtenis uitdrukt
*ontdekken dat een werkwoord verschillende vormen kan hebben
*ontdekken dat een werkwoord een stam en een uitgang heeft
-Het onderwerp in een zin onderzoeken en herkennen aan de hand van deze vragen:
*Over wie of waarover wordt iets gezegd?
*Wie doet iets?
*Wie is of wordt iets?
*Waarnemen dat de rest van de zin iets zegt over het onderwerp – de term ‘onderwerp’ kennen en gebruiken
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Rekenvaardigheid.
-De vermenigvuldigingstafels tot 10 inzichtelijk verwerven in betekenisvolle situaties
-De vermenigvuldigingtafels tot 10 paraat kennen
-Onderzoeken van de begrippen verdubbelen en het dubbele nemen in betekenisvolle situaties en weten dat dit hetzelfde betekent als vermenigvuldigen met 2
-De deeltafels tot 10 inzichtelijk verwerven in betekenisvolle situaties
-De deeltafels tot 10 paraat kennen
-Onderzoeken van de begrippen halveren en de helft nemen in betekenisvolle situaties en weten dat dit hetzelfde betekent als delen door 2
MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische vaardigheid.
-Tijd nemen om grondig waar te nemen – eigenschappen van een (kunst)werk onderscheiden en opgedane indrukken verwoorden
MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Grootmotorisch bewegen.
-Leren overleven door:
*gecontroleerd uit te blazen onder water gevolgd door inademen boven water
*de verschillende natuurkundige krachten te ervaren op de romp
*te drijven op rug en buik
*af te stoten van de kant en te glijden
*zich te draaien in het water, zowel rond de lengte- als de breedte-as zowel in horizontale als verticale positie
*te watertrappen
*zich te verplaatsen in het water op de rug en de buik
ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de ruimte.
-Op de kaart van de gemeente betekenisvolle plaatsen situeren
(8-9jaar)
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.
-Inzicht verwerven in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel en daarbij de termen en symbolen eenheid (E), tiental (T), honderdtal (H), duizendtal (D), natuurlijk getal kennen en gebruiken
-Natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 1 000
-Natuurlijke getallen tot 1 000 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

Geef een reactie