Hieronder de ZILL leerplandoelen tot 10 jaar.
De leerplicht geldt vanaf 5 jaar en dus zullen de leerplandoelen een houvast en leidraad kunnen bieden in het toewerken naar de eindtermen basisonderwijs.
Vorige:
Algemene leerplandoelen tot 8 jaar.
Leerplandoelen Godsdienst eerste cyclus (6-8 jaar).
Algemene leerplandoelen tot 9 jaar.
Lees deze blogpost voor alle wetgevingen en regels rond huisonderwijs.
In deze blogpost neem ik je bij de hand en vullen we samen de verklaring van huisonderwijs in bij inschrijven van jouw kind voor huisonderwijs.
Wat zijn leerplandoelen, ontwikkeldoelen, onderwijsdoelen?
In deze blogpost zet ik het even allemaal op een rijtje voor jou.
Hoe ga je aan de slag met deze leerplandoelen? Op deze pagina geef ik je de
handleiding voor deze ultieme gids.
Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.
(4-10jaar)
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Meetkunde.
-Onderzoeken van voorwerpen door zich te bewegen in de ruimte, te kijken naar en te handelen met voorwerpen uit de omgeving en daarbij woorden gebruiken zoals plat, recht, rond, gebogen, hoekig
ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de samenleving.
-Hun eigen invloed in de klasgroep, vriendengroep… ervaren – ervaren hoe verantwoordelijkheden kunnen gedeeld worden in de groep
Oriëntatie op tijd.
-Verschillende soorten kalenders zoals: dagkalender, weekkalender, maandkalender, kalender van de seizoenen, aanwezigheidskalender, verjaardagskalender, weerkalender … functioneel gebruiken
-Gebeurtenissen of ervaringen uit het eigen leven ordenen aan de hand van eigen referentiepunten (toen we daar woonden, voor opa stierf …)
Oriëntatie op de ruimte.
-Verschillen in landschappen en omgevingen die door mensen ingericht zijn, waarnemen en uitdrukken – gebouwen, akkers, velden, fabrieken, bedrijven, bossen, winkels … in de omgeving herkennen
-3D-voorstellingen van vertrouwde plaatsen en voorwerpen in de zandtafel of op een maquette terugvinden
-Veilig meerijden met de fiets, de auto, de bus, de trein …
-Als voetganger of fietser gebruik maken van voor hen bestemde voorzieningen op de openbare weg en op openbare plaatsen
Oriëntatie op techniek.
-Ervaren en vaststellen hoe spierkracht, wind, water, zon … bronnen van energie zijn
Oriëntatie op natuur.
-Organismen uit de eigen omgeving op een eenvoudige wijze ordenen aan de hand van zelfgekozen criteria
-Ervaren, vaststellen en uitdrukken dat een aantal functies zoals spijsvertering, ademhaling, bloedsomloop … noodzakelijk zijn om te leven
(5-10jaar)
MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische vaardigheid.
-Oefenen in het schetsen, ontwerptekenen en fantasietekenen met verschillende materialen
(6-10jaar)
TAALONTWIKKELING
Taalbeschouwing Nederlands.
-Het gebruik van hoofdletters en kleine letters onderzoeken, en daarbij de term ‘kleine letter’ en ‘hoofdletter’ kennen en gebruiken – woorden met hoofdletters gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*eerste woord van de zin
*eigennamen
*belangrijke en frequent gebruikte feestdagen
*frequent gebruikte aardrijkskundige namen: eigen straat en gemeente
-Onderzoeken en gebruiken van leestekens in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*het gebruik van leestekens op het einde van de zin, en daarbij de termen ‘uitroepteken’, ‘punt’ en ‘vraagteken’ kennen en gebruiken
*het gebruik van leestekens in de zin, en daarbij de termen ‘komma’ en ‘dubbele punt’ kennen en gebruiken
-Letters aanduiden als klinker of medeklinker, en daarbij de termen ‘klinker’ en ‘medeklinker’ gebruiken
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.
-De begrippen even getal en oneven getal kennen en gebruiken
-Onderzoeken en vaststellen van procenten in betekenisvolle situaties zoals bij uitverkoop of batterijkracht op een tablet
Rekenvaardigheid.
-Ervaren dat er meerdere rekenwijzen zijn
Meten en metend rekenen.
-Onderzoeken en vaststellen van het begrip oppervlakte en de term oppervlakte kennen en gebruiken
-Een oppervlakte schatten en bepalen met behulp van een natuurlijke maateenheid en het meetresultaat noteren en vergelijken met de schatting
MOTORISCHE EN ZINTUIGLIJKE ONTWIKKELING
Omgaan met bewegingruimte en -tijd.
-De eigen bewegingen en bewegingsrichtingen vlot aanpassen aan de situatie, aan het tempo van een partner of object – kunnen versnellen en vertragen
SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.
-Spontaan hulp bieden wanneer men merkt dat iets niet lukt bij iemand – een ander verrassen en attent zijn voor een ander – doelbewust iets aardigs doen voor anderen – aanvaarden dat iemand hulp afwijst en daar geduldig en vriendelijk mee omgaan
-Verwondering en bewondering opbrengen en tonen voor wat een ander toont – opkijken naar de talenten van een ander – waardering uiten om wie de andere is – geloof hebben in iemand door het goede te zien en te denken – zich respectvol openstellen voor de ander – waarderen van wat goed gaat in de groep
ROOMS-KATHOLIEKE GODSDIENST
Openkomen voor geloofstaal, symboliek en rituelen.
-Legendes beluisteren over Sint-Maarten (11 november) en/of Sint-Nicolaas (6 december)
-Franciscus leren kennen (bv. n.a.v. dierendag)
-Aandacht hebben voor feesten van een andere godsdienst, indien er in de klas kinderen zitten die deze godsdienst belijden
-Maria als moeder van Jezus leren kennen
(7-10jaar)
ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de samenleving.
-Onderzoeken, vaststellen en illustreren van kenmerken van groepen: de samenstelling, de grootte, geldende omgangsvormen en regels, symbolen en tekens…
-Ervaren, onderzoeken en illustreren:
*hoe mensen meestal betaald worden voor hun werk
*dat er ook arbeid geleverd wordt die geen inkomen oplevert
*hoe in een aantal samenlevingen kinderarbeid nog steeds voorkomt/gangbaar is
*hoe specifieke beroepen ook specifieke vaardigheden vergen
-Interesse en respect tonen voor verschillende soorten van vrijetijdsbestedingen – actieve en passieve vormen van vrijetijdsbesteding onderzoeken en evalueren
-Ervaren, onderzoeken en illustreren:
*onder welke verschillende vormen geld voorkomt (contant geld, betaalkaarten, online kopen …)
*op welke manier en met welke betaalmiddelen mensen vroeger betaalden
-Kennismaken met organisaties die bewaken dat producten tegen een rechtvaardige prijs worden verkocht.
-Ervaren welke ondernemingen actief zijn in de eigen leefomgeving en illustreren hoe een onderneming al dan niet zorg draagt voor de mensen en de planeet
-Ervaren hoe elke groep binnen de samenleving er een eigen levensstijl op nahoudt en hierover met elkaar in interactie gaan – de diversiteit tussen mensen ervaren als een kans en een uitdaging
-Onderzoeken, vaststellen en uitdrukken welke verschillende oorzaken migratie kan hebben – migratie erkennen als iets dat in elke samenleving voorkomt en van alle tijden is
-Inzien dat sommige regels zo belangrijk zijn dat ze wet worden – wetten illustreren
Oriëntatie op tijd.
*Basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met dagelijkse tijd onderzoeken en daarbij woorden gebruiken zoals maand, seizoen, dinsdag van vorige week, verleden zondag, veertien dagen geleden, voor twee weken, over tien dagen, de namen van de seizoenen en de namen van de maanden
-De datum en jaartallen correct weergeven
-Een kalender gebruiken om gebeurtenissen uit het eigen leven in de tijd te situeren
-Tijdsaanduidingen op uitnodigingen en openings- en sluitingstijden correct interpreteren
-Gebeurtenissen of ervaringen uit het eigen leven chronologisch ordenen en indelen in perioden
-Hun afstamming reconstrueren tot twee generaties terug
-Het verhaal dat bij het erfgoed hoort illustreren – in interactie gaan over erfgoed in de omgeving en daarbij woorden gebruiken zoals sporen uit het verleden, waarde van bewaren, heden, toekomst en respect in verband met erfgoed hanteren
-Inzien dat het de moeite waard is om erfgoed te bewaren voor later omwille van ouderdomswaarde, schoonheidswaarde en materiaalwaarde
-Aan de hand van erfgoed overeenkomsten en verschillen weergeven tussen heden en verleden
-Onderzoeken, vaststellen en uitdrukken hoe mensen die elders wonen – omgaan met de ruimte en hun levenswijze eraan aanpassen
Oriëntatie op de ruimte.
-De volgende grenzen herkennen in de eigen omgeving: gemeentegrens, provinciegrens, landsgrens – in interactie gaan over begrensde ruimtes in de omgeving en daarbij volgende termen kennen en gebruiken: dorp, stad, gemeente, provincie, land
-De voorstelling van een ruimte in het horizontale vlak projecteren in het verticale vlak
-Legenden en windroos hanteren bij het oriënteren in de omgeving en op plattegronden
-Bij oriëntatie in de omgeving de windstreken (hoofd- en tussenrichtingen) bepalen volgens de zonnestand
-Gevaarlijke verkeerssituaties in de ruimere school- en thuisomgeving kennen en herkennen
-Langs een voor hen vertrouwde route de verkeerstekens, -borden en -regels voor voetgangers zelfstandig naleven – veilig oversteken zonder begeleiding
Oriëntatie op techniek.
-Eigenschappen van grondstoffen en materialen uit de eigen omgeving onderzoeken
Oriëntatie op natuur.
-Kenmerken van biotopen waarnemen, onderzoeken en erover in interactie gaan
-Twee verschillende biotopen in de omgeving herkennen
-Vaak voorkomende organismen in biotopen in de omgeving herkennen en benoemen
-Het weer onderzoeken en beschrijven zoals het zich op een bepaald moment voordoet – de weerselementen waaronder temperatuur, neerslag, windsnelheid, windrichting en bewolking over een bepaalde periode waarnemen, meten en vergelijken
-Onder begeleiding waarnemen, onderzoeken, vaststellen en uitdrukken dat de toestand waarin stoffen zich bevinden kan veranderen: gasvormig, vloeibaar, vast
-In een beperkte verzameling van gangbare materialen en stoffen onder begeleiding gelijkenissen en verschillen onderzoeken en vaststellen – op basis van van minstens één criterium een eigen ordening aanbrengen en deze verantwoorden
ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Zelfregulerend vermogen.
-Voor zichzelf betekenis geven aan verschillende keuzes – de eigen keuze uitleggen – de factoren die een keuze beïnvloeden bespreken – nadenken over alledaagse keuzes – voor- en nadelen van een keuze benoemen – verantwoordelijkheid dragen voor een genomen beslissing – andermans keuzes voorspellen en respecteren
Engagement voor duurzaam samenleven.
-De onmiddellijke gevolgen (bedoelde en onbedoelde) van een handeling of gebeurtenis uit de eigen leefwereld aantonen
-Een handeling, gebeurtenis of actie vanuit de eigen invalshoek beschrijven – deze beschrijving vergelijken met de beschrijving vanuit een andere invalshoek
(8-10jaar)
TAALONTWIKKELING
Schriftelijke taalvaardigheid Nederlands.
-Afhankelijk van de leesvaardigheid en van de context een voor hen bestemde tekst hardop, fluisterend of stil lezen
-Ontsleutelen van:
*woorden met moeilijke lettercombinaties (bv. ng, nk, cht, oei, ieu, ig, lijk…)
*meerlettergreperige woorden en samenstellingen
-Groepen van woorden als één geheel lezen
-Leesgedrag afstemmen op punt, vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt
Taalbeschouwing Nederlands.
-Spelling van medeklinkers onderzoeken en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*tweelettergrepige woorden met verdubbeling van de medeklinker (bv. knorren)
*woorden met meer dan twee opeenvolgende medeklinkers (bv. ontvoerder)
*verkleinwoorden (bv. stoeltje)
*herhaling van dezelfde medeklinker in samenstellingen (bv. muisstil)
*woorden die beginnen met wr- (bv. wraak)
*woorden op -isch(e) (bv. kritisch)
*eenvoudige frequente woorden met medeklinkers die niet worden uitgesproken, maar wel worden geschreven (bv. gouden)
-Spelling van klinkers onderzoeken en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten:
*tweelettergrepige woorden met ongedekte klinker in open lettergrepen (bv. jagen)
*woorden met ongedekte klinker voor -ch (bv. goochelaar)
*woorden met ongedekte klinker u voor -w (bv. ruw)
*woorden met doffe klinker in -eren, -elen, -enen (bv. kinderen)
*woorden met doffe klinker in woorden op -ig(e), -erig(e), -(e)lijk(e) (bv. toevallig)
*woorden met doffe klinker in woorden op -em, -is, -ik, -ond-, -or (bv. avond)
-Onderzoeken van werkwoordsvormen waarbij de gebruikelijke spellingsregels worden toegepast en deze inzichten gebruiken in betekenisvolle schrijfopdrachten – waarnemen van en zich verwonderen over de vorming van persoonsvormen met hoorbare -t, -te, -de, -ten, -den en met stam op -t en -d in tegenwoordige tijd en verleden tijd – de term ‘eindletter’ kennen en gebruiken
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.
-De vergelijking voorstellen met de symbolen =, ≠, <, >, binnen het getalbereik tot 100 000
-Eenvoudige breuken lezen, schrijven en berekenen: als een deel van, een verdeling en daarbij de termen ‘breuk’, ’teller’, ‘noemer’, ‘breukstreep’, ‘stambreuk’, ‘gelijkwaardige breuk’ kennen en gebruiken – de symbolen ÷ en ./. lezen en gebruiken
-Breuken lezen, schrijven en berekenen als een getal met een plaats op de getallenlijn, als een quotiënt van een deling
-Breuken (her)structureren zoals bij 7/4 is 1 en 3/4
-Regelgeleid afronden
Rekenvaardigheid.
-Regelgeleid schatten om de uitkomst van een berekening bij benadering te bepalen
-De volgende toetsen correct gebruiken: aan/uit, cijfertoetsen, + – x : =
*om natuurlijke getallen in te tikken
*om bewerkingen met natuurlijke getallen uit te voeren
Meetkunde.
-Onderzoeken en vaststellen van punten, lijnen en vlakken door zich te bewegen in de ruimte, te kijken naar en te handelen met voorwerpen en meetkundige figuren en daarbij de termen recht, gebogen (krom), gebroken, vorm, oppervlak, lijn, punt, lijnstuk, rechte, horizontaal, verticaal, vlakke figuur kennen en gebruiken
-Een punt, een rechte en een lijnstuk tekenen en noteren
-De termen zijde, overstaande zijde(n), omtrek, hoogte, basis, diagonaal, onderzoeken, kennen en gebruiken
-De termen zijde, bovenvlak, grondvlak onderzoeken, kennen en gebruiken
-Veelhoeken onder de vlakke figuren aanwijzen en benoemen op basis van het aantal zijden, en daarbij de termendriehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek, veelhoek kennen en gebruiken
-De eigenschappen van de hoeken en zijden van driehoeken onderzoeken, kennen en gebruiken om driehoeken te benoemen (ongelijkbenig, gelijkbenig, gelijkzijdig, scherphoekig, rechthoekig, stomphoekig), te vergelijken en te tekenen
-Cirkels onderzoeken en vaststellen dat elk punt van de omtrek even ver ligt van het middelpunt en daarbij de termen middelpunt, straal en diameter kennen en gebruiken – een cirkel tekenen met een passer
-Onderzoeken en vaststellen van evenwijdigheid in de omgeving, in vlakke figuren en in ruimtefiguren en daarbij de term evenwijdig kennen en gebruiken
-Evenwijdige en snijdende rechten en lijnstukken herkennen, benoemen en daarbij de termen evenwijdig en snijdend kennen en gebruiken
-Met een geodriehoek en andere hulpmiddelen (geen passer) twee evenwijdige rechten/lijnstukken tekenen
-Met een geodriehoek en andere hulpmiddelen (geen passer) door een punt buiten een rechte de evenwijdige rechte tekenen aan die rechte en door een punt buiten een lijnstuk het evenwijdige lijnstuk tekenen aan dat lijnstuk
-Het symbool van de evenwijdigheid (//) lezen en noteren
-Onderzoeken en vaststellen van loodrechte stand in de omgeving, in vlakke figuren en in ruimtefiguren en daarbij de term loodrecht kennen en gebruiken
-Rechten en lijnstukken die loodrecht op elkaar staan, herkennen, benoemen
-Met een geodriehoek en andere hulpmiddelen (geen passer):
*Twee rechten/lijnstukken tekenen die elkaar loodrecht snijden
*Door een punt buiten een rechte/lijnstuk de loodlijn tekenen op die/dat rechte/lijnstuk
*Door een punt van een rechte/lijnstuk de loodlijn tekenen op die/dat rechte/lijnstuk
-Het symbool van de loodrechte stand (┴ ) lezen en noteren
-Onderzoeken en vaststellen van spiegelbeelden in de omgeving en in vlakke figuren door een spiegel te gebruiken of door te vouwen
-Onderzoeken en vaststellen van symmetrie en asymmetrie in de omgeving
-Onderzoeken en vaststellen van gelijkheid van vorm én grootte in de omgeving en in vlakke figuren
-Eenvoudige figuren van gelijke vorm en grootte tekenen op geruit papier
Meten en metend rekenen.
-De maateenheden kilogram, gram, ton en de symbolen (kg, g) kennen, lezen en gebruiken – de onderlinge verhouding kennen
-Referentiematen voor gewicht kennen en gebruiken bij het schatten
-Een gewicht van een voorwerp schatten en wegen – een bepaald gewicht afwegen – het meetresultaat vergelijken met de schatting en correct noteren (met één maateenheid, met meer dan één maateenheid, als kommagetal met één maateenheid)
-Betekenisvolle herleidingen tussen gewichtsmaten uitvoeren
-De maateenheden liter, deciliter, centiliter, milliliter en de symbolen (l, dl, cl, ml) kennen, lezen en gebruiken en de onderlinge verhouding kennen
-Referentiematen voor inhoud kennen en gebruiken bij het schatten
-Een inhoud van een voorwerp schatten en meten, een bepaalde inhoud afmeten, het meetresultaat vergelijken met de schatting en correct noteren (met één maateenheid, met meer dan één maateenheid, als kommagetal met één maateenheid)
-Betekenisvolle herleidingen tussen inhoudsmaten uitvoeren
-De maateenheden kilometer, meter, decimeter, centimeter, millimeter en de symbolen (km, m, dm, cm, mm) kennen, lezen en gebruiken – de onderlinge verhouding kennen
-Referentiematen voor lengte kennen en gebruiken bij het schatten
-Een lengte schatten en meten, een bepaalde lengte afmeten, het meetresultaat vergelijken met de schatting en correct noteren (met één maateenheid, met meer dan één maateenheid, als kommagetal met één maateenheid)
-Een lijnstuk van een bepaalde lengte tekenen
-Inzien dat ook lijnen met een gebogen, gebroken of grillige vorm een lengte hebben en die bij benadering bepalen
-Betekenisvolle herleidingen tussen lengtematen uitvoeren
-Onderzoeken en vaststellen van het begrip omtrek en daarbij de term omtrek kennen en gebruiken
-De omtrek van vlakke figuren meten en de omtrek van veelhoeken berekenen en daarbij de eigenschappen van de zijden gebruiken
-Onderzoeken en vaststellen dat een temperatuur uitgedrukt kan worden in graden Celsius en daarbij de term temperatuur kennen en gebruiken
-Onderzoeken en vaststellen dat bij temperaturen beneden het vriespunt negatieve getallen gebruikt worden
-Weten en illustreren dat bij temperatuurmeting 0°C het vriespunt aangeeft
-De temperatuur tot op 1°C nauwkeurig meten, aflezen en noteren
-Alle kloktijden zoals “Het is kwart voor zeven”, “Het is twintig over acht” op een analoge en digitale klok aflezen
-De koppeling van analoge en digitale kloktijden onderzoeken en vaststellen in betekenisvolle situaties
-Tijdsduur berekenen “van tot en met” in dagen en/of maanden en/of jaren
-Hoeken ontdekken en daarbij de termen rechte hoek, stompe hoek, scherpe hoek kennen en gebruiken
-Een hulpmiddel van 90 graden gebruiken om een hoekgrootte in te delen in recht, stomp, scherp
MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische grondhouding.
-Gevoeligheid ontwikkelen voor het kunstzinnige in de wereld en nieuwe kunstervaringen toelaten – interesse tonen in kunst en ervan genieten – beseffen en aanvaarden dat de beleving van kunst persoonsgebonden is
-Plezier beleven aan het bewust aanspreken van de verbeeldingskracht – durven afstappen van het gewone, van het gebruikelijke en verbeelding durven inzetten in de vormgeving
-Bewust worden van de eigen voorkeuren, keuzes kunnen maken die aansluiten bij de eigen voorkeur en dit communiceren – in een afgebakende opdracht en in overleg met anderen een voorstel kunnen doen waarin eigen muzisch talent aan bod komt, vanuit eigen talenten kunnen bijdragen – eigen mogelijkheden tonen aan anderen in een vertrouwde omgeving
-Alert zijn voor muzische impulsen en verwonderd zijn over muzisch initiatief dat anderen nemen – actief inspelen op de muzische mogelijkheden die zich aandienen
-Gericht op zoek gaan naar wat je raakt in een werk of creatie, openstaan voor de persoon achter een muzische of kunstzinnige creatie en de boodschap en beseffen dat smaken verschillen – rekening houden met het publiek en hun reacties
Muzische geletterdheid.
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*zijlicht en tegenlicht
*verschillende soorten licht en schaduw in een werk
*het effect van veel of weinig licht en van het soort licht (sfeer)
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van ruimtelijke relaties:
*wat verder weg is, is kleiner
*afsnijding en overlapping
*perspectief: voor- en achtergrond
*verschillende standpunten gebruiken om eigen werk beter te bekijken en te versterken
*ruimte innemen, doorsteken en omvatten (constructies)
-Bewust beleven, herkennen en onder begeleiding spelen met:
*soorten lijnen: spiraalvormig, grillig, diagonaal, evenwijdig, arcering
*de gevoelswaarde van een lijn
*herhaling en ritme
*punt- en lijnstructuren
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*vormsoorten: open, gesloten, vorm, restvorm
*patronen door de herhaling van vormen
*lichaamsvormen van mensen en dieren in verhouding
*driedimensionale vormen
*asymmetrie en verhouding
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*kleurenfamilies
*tertiaire kleuren: grijswaarden en bruin
*koude en warme kleuren
*signaal- en camouflagekleuren
*het karakter (psychologische eigenschappen) van een kleur
-Bewust beleven, herkennen en onder begeleiding spelen met:
*verschillende texturen: hard, zacht, ruw, glad, harig, stekelig, blinkend …
*texturen en hun afdruk
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
-duidelijke compositievormen herkennen in beeldend werk en eigen vormgeving:
*patronen (spiegelen, herhalen, roteren)
*contrasten
*focus
*decoratieve motieven
*de delen en het geheel van een compositie
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en creatief gebruik maken van:
*klankeigenschappen: omgevingsgeluiden en klankdecors, klankkleur van instrumentengroepen, klankkleur van frequent voorkomende instrumenten
*muzikale tegenstellingen: verschillen en gelijkenissen: voorgrond – achtergrond, deel – geheel, verhoudingen in samenspel
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken van:
*verschillende maatsoorten
*een eenvoudig, grafisch voorgesteld ritme
*eenvoudige ritmische motieven
*ritmisch voor- en naspel
*ritmische begeleiding bij een lied of klankstuk
*(bekende) ritmes
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken van:
*een complexere melodielijn
*een melodisch motief
*een melodische ostinaat
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bepalen van:
*het tempo en tempoverschillen in een contrastrijk muziekstuk
*een aangegeven tempo bij een bekend lied of muziekstuk
*het tempo in een zelf ontworpen klank- of muziekstuk
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren van:
*de dynamiek in een contrastrijk muziekstuk
*nuances in klank en toonsterkte bij het zingen van een lied en het bespelen van een instrument
*grafische symbolen die dynamiek van een muziekstuk weergeven
-In een stuk muziek of in een grafische partituur bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken/bepalen van:
*muzikale zinnen, motieven, thema’s in een muziekstuk
*de structuur van een muziekfragment (ABA, rondo …) (met visuele ondersteuning)
*een eenvoudige structuur in een eigen compositie
*een eenvoudige structuur in een grafische notatie
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven van en deelnemen aan:
-samen zingen en spelen in groep (wisselzang, echo zingen …)
*de samenklank van instrumenten in een contrastrijk muziekstuk
*instrumentale of vocale begeleiding
*eenstemmig en meerstemmig musiceren
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*duur en tempo in bewegingen
*cadans
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken van:
*samenhangende bewegingszinnen
*een dansstructuur
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken van:
*variatie in spierspanning en gewicht
*energieke en zachte bewegingen
-Bewust beleven, herkennen, beschrijven, uitvoeren en bedenken van:
*het vergroten en verkleinen van bewegingen
*vervormen van bewegingen
*variaties in vormen die je met het lichaam kan aannemen
-Bewust beleven, herkennen, uitvoeren en bedenken van:
*verschillende richtingen in dans
*verschillende opstellingen in de ruimte (cirkel, lijn, kriskras …)
*verschillende ruimtelagen in dans (laag, midden, hoog) en de overgangen ertussen
-Bewust beleven, herkennen,, uitvoeren en bedenken van:
*synchrone bewegingen
-bewegingen die inspelen op de bewegingen van iemand anders (spiegelen, vraag/antwoord, leiden en volgen, actie-reactie …)
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*inleving in een personage en reactie vanuit de rol op anderen
*nuanceren van bewegingen en houdingen die horen bij het personage
*het vasthouden van belangrijke kenmerken van een rol in taal en beweging
*het spelen van een personage voor een publiek
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*variaties op een zelfde handeling
*handelingen die horen bij een bepaalde situatie
*het afstemmen van handelingen op de andere spelers
*het aanpassen aan de taal aan de spelsituatie
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*het bedenken van een eenvoudige dramatische situatie (wie-wat-waar)
*de sfeer van een scène
*de structuur van een scène/stuk met een begin, midden en slot
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*werkelijke en verbeelde tijd
*kenmerken van een tijdsbeleving in een scène
*het nemen van de tijd om een situatie te spelen
*timing in een scène
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*het gebruik van de ruimte (het speelvlak)
*het verbeelden van een ruimte (met eenvoudige materialen)
*een afgesproken plaatsbepaling
*het open spelen voor een publiek
-Bewust beleven, herkennen en met eigen woorden beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*het verdelen van de aandacht over verschillende spelers op het speelvlak
*een (bij)rol spelen in functie van een groter geheel
*het accepteren van spelideeën
-Betekenis of boodschap in kunst en expressie toekennen en dit koppelen aan de vormgeving – gevoeligheid ontwikkelen voor symbolen en metaforen en die verbinden met cultuuruitingen van groepen, religies, landen … – experimenteren met beeldspraak en een eigen boodschap in een sprekende vormgeving verwerken
-Kunst- en cultuurervaringen opdoen in de ruime omgeving en de diversiteit ervan opmerken – communiceren met makers van kunst en cultuur en kennismaken met de waarde en functie van kunst – cultuurervaringen creatief verwerken, erover communiceren en een eigen mening verwoorden – de eigen culturele bagage aanvullen in verschillende kunstdomeinen
-Gericht onderzoeken welke domeinen, (combinaties van) werkvormen en vormgevingsmiddelen geschikt zijn om zich uit te drukken – deze inzetten om met anderen te communiceren
-De eigen inbreng flexibel afstemmen op die van anderen, elkaar ondersteunen en zo tot kwaliteitsvol samenspel komen in een muzische opdracht
Muzische vaardigheid.
-Creatief werken met beeldmateriaal naar aanleiding van een spel – zelfstandig beeldend spelen met materialen
-Het schilderen verfijnen door gebruik te maken van verdunde en onverdunde verf – verfijnen van eenvoudige druktechnieken
-Verkennen en onderzoeken van (eenvoudige) constructie- en verbindingstechnieken – oefenen in het maken van collages en assemblages met combinaties van verschillende soorten papier en materialen – kennismaken met creatieve houtbewerking (spijkeren, zagen en schuren) – oefenen in het textiel verwerken: textiel maché, textielcollage … – verkennen van textiel maken: weven, knopen en spanwerk, vilten …
-Creatief werken met stem, geluid, instrumenten, materialen … naar aanleiding van een spel – zelfstandig spelen met stem, geluid, instrumenten, materialen
-Zingen met een aangepast stembereik (do’ – re’’), met aandacht voor articulatie en zuiverheid – onder begeleiding experimenteren met eenstemmige en meerstemmige liederen (canons) – oefenen op eenvoudige liedjes met gevarieerde vorm/structuur
-Oefenen op bespeelmogelijkheden die passen bij het instrument, variaties in klankkleur benutten – gestructureerde muziekstukken (maat, ritme, ritmische patronen, muzikale zinnen, herhalingen …) met instrumenten en materialen uitvoeren. Oog hebben voor contrasten – oefenen op het instrumentaal begeleiden van liedjes (ritmische en melodische ostinaat)
-Oefenen op het uitvoeren en ontwerpen van grafische partituren met aandacht voor nuances en opbouw in muziek – kennismaken met de basisprincipes van klassieke muzieknotatie (noten en rusten, de notenbalk …)
-Experimenteren met liedteksten en bestaande liederen aanpassen – klankstukken componeren met een duidelijke structuur en opbouw
-Experimenteren met bewegingen vanuit muziekbouwstenen – onder begeleiding muziek vertalen naar een bewegingsstuk
-Oefenen in het variëren in totaalbewegingen en geïsoleerde bewegingen – een variatie aan bewegingen uitvoeren bij een bewegingskwaliteit – oefenen op het improviseren van bewegingen die aansluiten bij een thema of verhaal
-Creatief werken met bewegingen naar aanleiding van een spel – zelfstandig spelen met bewegingen
-Een dansopstelling en beginhouding innemen – een eenvoudige aangeleerde danspas en -beweging uitvoeren – in verschillende groepen een andere beweging uitvoeren
-In groep(en) een eenvoudige bewegingsreeks ontwerpen vanuit onderzochte bewegingen – experimenteren met het ontwerpen van een grafische notatie – een korte dans ontwerpen met een begin, verloop en einde, in tweetallen of kleine groepen
-Naar aanleiding van een spel een personage, situatie, voorwerp of handeling spelen – zelfstandig dramatisch spelen met stem, mimiek, het lichaam en attributen spelen
-Oefenen op het technisch hanteren van verschillende soorten poppen, figuren (schim, masker) en objecten – oefenen op aangepast stem- en lichaamsgebruik – oefenen op het inzetten en herdefiniëren van attributen in een scène
-Oefenen op het variëren in stem- en lichaamsgebruik – eenvoudige regieaanwijzingen van andere kinderen volgen in het spel – afspraken maken in de scène (wie-wat-waar-wanneer) Experimenteren met tekst tijdens het improviseren (met andere kinderen) – poëzie brengen met bewuste aandacht voor stem- en lichaamsgebruik
-Experimenteren met het beschrijven van een personage of situatie die anderen uitbeelden – oefenen op het spelen en improviseren van een non-verbale scène door expressief gebruik van het lichaam en mimiek
ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op tijd.
-Historische en natuurhistorische elementen uit hun omgeving zoals voorwerpen, verhalen, fossielen … exploreren en ze globaal situeren op een tijdlijn
-Een eeuwband opstellen en functioneel gebruiken
Oriëntatie op de ruimte.
-Op de kaart van de eigen provincie situeren:
*de eigen gemeente, buurgemeenten
*provinciehoofdstad
MEDIAKUNDIGE ONTWIKKELING
Mediageletterdheid.
-Gericht onderzoeken welke mediamiddelen geschikt zijn om informatie te verwerven en om zich uit te drukken
-Bewust beleven, herkennen en begrijpelijk beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*vervormen van geluid
*veranderende geluidsrichtingen
-Bewust beleven, herkennen en begrijpelijk beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*eenvoudig spel van licht en donker
*lichtbronnen en lichtrichting
-Bewust beleven, herkennen en begrijpelijk beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*het standpunt van een opnameapparaat
*diepte in beeld
*lijnen in beeld
-Bewust beleven, herkennen en begrijpelijk beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*herhaling, variatie en contrast in een montage
*ordenen van beelden en geluiden
-Bewust beleven, herkennen en begrijpelijk beschrijven en onder begeleiding toepassen van:
*vergroten en verkleinen van beelden
*effecten op beelden
-Opvallende goede en minder geslaagde beelden en gebruik van beelden herkennen
ONTWIKKELING VAN INITIATIEF EN VERANTWOORDELIJKHEID
Onderzoekscompetentie.
-Vertellen waarom iets wel of minder goed ging en hoe men al dan niet rekening heeft gehouden met eerdere ervaringen – op basis van reflectie de eigen planning en uitvoering van taken evalueren
Gezonde en veilige levensstijl.
-Kunnen inschatten wanneer een huidwonde ernstig is en verzorging door een arts aangewezen is – een bloeding kunnen stelpen – het belang inzien van het dragen van handschoenen bij contact met bloed
-Gevaarlijke producten die door aanraking of inname kunnen leiden tot vergiftiging (her)kennen.
SOCIO-EMOTIONELE ONTWIKKELING
Rationele vaardigheden.
-Bij een opdracht zelf de juiste informatie opzoeken, geven en checken of je begrepen wordt – in groepswerk het stappenplan uitleggen en de taken verdelen – ideeën zoeken om samen een probleem aan te pakken
-Verduidelijking vragen door bijkomende vragen te stellen en hierdoor instructies begrijpen, gegevens beter kunnen opvolgen – adviezen en richtlijnen opvolgen
-Wanneer iets te moeilijk is of niet goed lukt, weten op wie je beroep kan doen om te helpen – anderen die je willen helpen vertrouwen
-Zichzelf voorstellen aan onbekende leeftijdsgenoten – zichzelf presenteren aan iemand die men minder goed of niet kent – eigen werk / groepswerk kunnen voorstellen
Seksueel bewustzijn.
-Weten dat uitingsvormen van en opvattingen over seksualiteit kunnen verschillen al naar gelang de sociale en culturele context, religie, gender, leeftijd, kennis … van mensen – zich daar op een respectvolle wijze en met een gepaste taal over uitdrukken
(9-10jaar)
ONTWIKKELING VAN WISKUNDIG DENKEN
Getallenkennis.
-Inzicht verwerven in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel en daarbij de termen en symbolen ‘eenheid’ (E), ’tiental’ (T), ‘honderdtal’ (H), ‘duizendtal’ (D), ’tienduizendtal’ (TD), ‘honderdduizendtal’ (HD), ‘natuurlijk getal’ kennen en gebruiken
-Natuur-lijke getallen lezen en schrijven tot 100 000
-Natuurlijke getallen tot 100 000 ordenen en op een getallenlijn plaatsen
MUZISCHE ONTWIKKELING
Muzische vaardigheid.
-Geconcentreerd op onderzoek gaan en onder begeleiding het waarnemingsvermogen versterken – kenmerken en eigenheid van een (kunst)werk (bouwsteen, werkvorm, vormgevingsmiddelen) opsporen en met eigen woorden nauwkeurig beschrijven
ONTWIKKELING VAN DE ORIËNTATIE OP DE WERELD
Oriëntatie op de tijd.
-Op de kaart van België en Vlaanderen situeren:
*de eigen streek
*de provincies, de provinciehoofdsteden
Deze leerplandoelen zijn NIET door mij ontwikkeld. Ze zijn overgenomen van de ZILL leerplandoelen voor katholiek basisonderwijs, ik heb ze enkel geordend op leeftijd ipv op ontwikkeldoelen om het duidelijker te maken voor jou. Dit betekent dus dat deze leerplandoelen goedgekeurd zijn door de overheid.

Geef een reactie